
De Limbeek, een alleraardigste zijtakje van de Boven-Slinge
NatuurWINTERSWIJK - We staan er niet vaak bij stil, zo gewend zijn we eraan, maar als Winterswijk bij natuurliefhebbers ergens om bekend staat, dan zijn het wel zijn prachtige, natuurlijk aandoende beken. Zoals de Limbeek.
Door Ronald van Harxen
‘De Limbeek, een alleraardigste zijtakje van de Boven-Slinge’. Deze uitspraak is afkomstig van plaatsgenoot Steven van de Brand die in 1995 een alleraardigst boek schreef over de plantengroei van Winterswijk. Helaas wijdt hij maar enkele regels aan de Limbeek, ondergedompeld in een – begrijpelijk – uitvoerige beschrijving van de Bekendellepracht, waar de Limbeek in de Boven-Slinge uitmondt. Direct na het beginpunt van de Limbeek, aan de Rauwershofweg in het Woold, doet de beek ook al zo’n iconisch Winterswijk bos aan, ’t Rot. Het voert daarmee als het ware een verbindingsweg tussen twee van Winterswijks belangrijkste natuurgebieden en beide op de Nederlandse lijst van bosreservaten.
Het ‘lim’ verwijst mogelijk naar de (kei)leem, langs het tracé van de beek volop aanwezig. De Limbeek heet trouwens ook wel Wooldse beek. De herkomst van die naam moge helder zijn.
Ook de Limbeek is in oorsprong een gegraven beek. Waarschijnlijk is de eerste schop in het midden van de 19e eeuw de grond in gegaan. Op de kadastrale kaart uit 1832 staat de beek nog niet aangegeven. Opvallend is dat waar hij zich bij de Boven-Slinge voegt wel een perceelgrens staat aangegeven die precies het tracé van de latere beek lijkt te volgen. Net als bij de Klandermanswaterleiding door de toen nog niet ontgonnen heide. De hoek waarin de percelen lagen, die eigendom waren Jan te Lintum op de nabijgelegen scholtenboerderij ’t Lintum, heette wel de Blekerij. Dit deel van de beek heette lokaal ook wel ’t Boddewiesbaeksken, naar de boerderij Boddewies aan wat nu de Wooldseweg is. Ook die naam verwijst met ‘bodde’ (kuip waarin het te bleken goed overgoten werd met sop) en ‘wieske’ (weiland) naar het bleken van linnen. Misschien is het ook wel andersom, en is de boerderij genoemd naar beek.
Waarschijnlijk is de beek in delen gegraven. Op de topografische kaart uit 1845 valt een deel van het tracé beek te volgen, maar boven boerderij ’t Weekamp houdt het plotseling op. Ook het deel vanaf de kern van het Woold tot aan ’t Rot staat nog niet ingetekend. De aanleg van de beek door ’t Rot (plek waar gerooid is) moet een flinke klus zijn geweest. Met eenvoudig handgereedschap je een weg banen door de keileem en de tertiaire klei die op veel plekken bijna aan de oppervlakte ligt, was ongetwijfeld hard werken.
De beek lijkt te zijn aangelegd op de kadastrale scheiding (1832) van bospercelen die in het bezit waren van Wander Hijink op scholtenboerderij Hijink en Lubbert Jan Hendrik Hesselink die op Boveld woonde. De beek is smal en vooral het eerste deel diep ingesneden. Tussen de wintereiken en beuken is het bos hier en daar bijna ondoordringbaar door het massaal voorkomen van oud-bossoorten als hulst en adelaarsvaren. Bosuilen en spechten voelen er zich thuis.
De Limbeek laat zich lastig bewonderen, slingerend door bossen en tussen weilanden en essen door. Op slechts weinig plaatsen vergunt hij ons een blik. De meest fraaie plek is misschien wel daar waar hij onder de Bocholtse baan doorsteekt. Het hoogteverschil is groot. De baan ligt op 39 meter en de landerijen daaronder op 35. De beek zelf is dan nog zeker twee meter diep ingesneden, zodat het hoogteverschil gauw een meter of zes bedraagt.










