
Hagse Waterleiding – juweeltje om zuinig op te zijn
NatuurWINTERSWIJK - We staan er niet vaak bij stil, zo gewend zijn we eraan, maar als Winterswijk bij natuurliefhebbers ergens om bekend staat, dan zijn het wel zijn prachtige, natuurlijk aandoende beken. Zoals de Hagse Waterleiding.
Door Ronald van Harxen
Nog geen anderhalve kilometer lang is hij, de Hagse Waterleiding. Hij begint aan de Veenweg in Kotten. Honderd meter voordat hij de Kuipersweg bereikt, slaat hij schuin linksaf het bosje in, om vervolgens een kleine kilometer noordoostelijk te stromen. Waar hij de naamloze zandweg bereikt die de Haverkampstegge met de Kuipersweg verbindt, steekt hij de Kuipersweg over om in het verlengde deel van de Beemersbeek uit te monden, net voor de Borkense Baan.
Wanneer de beek precies is gegraven, is niet bekend, maar de aanleg zal vast gerelateerd zijn aan de ontginning van het Kottense Veld en het Kottense Veen.
Je moet hem wel weten te vinden, de Hagse Waterleiding, anders ga je eraan voorbij. Ook al omdat het zo’n onooglijk beekje is, dat bij het waterschap in de categorie waterleidingen is ingedeeld. De aanduiding ‘Hagse’ verwijst naar de naam van een perceel dat in de Boerderij – en veldnamenatlas van Winterswijk ’t Hag wordt genoemd. De naamloze zandweg waar boven sprake van is, heet daar Hagdiek. Waar ‘hag’ vandaan komt of wat het betekent is niet duidelijk. Mogelijk is er een verband met haag en heg.
Het perceel dat ’t Hag genoemd wordt, was in het begin van de negentiende eeuw al ontgonnen en in gebruik als weiland. Samen met enkele andere percelen (onder andere rond boerderij Hondersmaat) vormde het een enclave in de verder nog niet ontgonnen heide van het Kottense Veld. Rondom was een wal (hag?) aangelegd die aan de zuidwestkant uit loofhout en aan de oostkant uit dennen bestond, waarschijnlijk om grazend vee binnen te houden en reeën en ander wild buiten. Bij de verdere ontginning van het Kottense Veld, raakte het perceel ingesloten door bos dat in de jaren vijftig van de vorige eeuw weer plaats maakte voor weiland. Weer iets later werd ook meer dan de helft van de wal opgeruimd. Alleen in het zuiden is nog een stuk blijven liggen. Het perceel werd afwisselend als weiland en maisakker gebruikt. Totdat het begin deze eeuw in het kader van de natuurontwikkeling in Winterswijk-Oost werd verworven door de Dienst Landelijk Gebied. In het kader daarvan werd de voedselrijke bovenlaag van het perceel afgegraven en de houtwal weer aangevuld tot zijn oorspronkelijke lengte. Een fraai voorbeeld van herstel van biodiversiteit met aandacht voor cultuurhistorie.
Dat geldt trouwens ook voor het originele restant van de wal. Goed te zien is dat er bij de aanleg eerst een zandlichaam is opgeworpen met zand direct naast de wal en dat die daarna is aangeplant met onder andere haagbeuken en dat die aanvankelijk als hakhout zijn beheerd. Toen dat beheer achterwege bleef, schoten de beuken door naar boomhoogte. Zo ging dat met veel Winterswijkse houtwallen. Het gerestaureerde deel bestaat ook uit een zandlichaam met daarop een begroeiing van vooral eenstijlige meidoorn. De vegetatie van het afgeplagde weiland is nog volop in ontwikkeling, maar her en der staat stekelbrem, een zoals de naam al aangeeft, aan de brem verwante stekelige heester die tot een halve meter hoog kan worden. Hij groeit op voedselarme, droge tot vochtige grond. De Winterswijkse naam is heethekkele. Heet is heide en hekkele is Winterswijks voor hekel, het gereedschap (ook wel vlaskam geheten) dat in de linnenindustrie gebruikt werd om de vezels van vlas te kammen en geschikt te maken voor verdere verwerking. De ijzeren pinnen van de hekkele deden denken aan de stekels van de plant. Of stekelbrem in een grijs verleden als hekel is gebruikt? De aanduiding heet leeft ook nog voort in het boerderijtje Lankheet dat iets verderop staat en dat aanvankelijk midden in de heide lag. Lank is Winterswijks voor lang en werd in combinatie met heet wel gebruikt om een lang stuk al dan niet ontgonnen heide aan te duiden.
De Hagse waterleiding is waar hij grenst aan ’t Hag op zijn mooist. Op de grens met het water staan volop dotterbloemen, het schuine talud ziet hier en daar geel van de slanke sleutelbloemen en iets hogerop bloeien talloze pinksterbloemen. Verderop zoekt de beek zich een weg door het bos om vervolgens rechtsaf te buigen, de Kuipersweg over te steken en zich iets verderop bij de Beemersbeek te voegen. Althans in de versie van het waterschap. Andere bronnen laten hem al eerder eindigen, daar waar hij het bos uitkomt en het vervolg de Schreurs Waterleiding heet.










