
Een kaart van het dorp. Afbeelding PR
Het land van Winterswijk: het dorp tweehonderd jaar geleden
CultuurWINTERSWIJK - Wie vandaag de dag door het buitengebied van Winterswijk wandelt of fietst, ziet een landschap dat door mensenhanden is gemaakt, een cultuurlandschap. Vele eeuwen menselijke bewoning hebben het landschap gekneed en gevormd en het zijn huidige aanzien gegeven. Ons landschap is niet statisch, het verandert voortdurend. Ouderen zullen weten dat het landschap van hun jeugd alleen nog in hun herinnering bestaat. In de serie ‘Het land van Winterswijk’ neemt Ronald van Harxen de lezer vanuit het heden mee naar het verleden en weer terug.
Door Ronald van Harxen
Het dorp in 1832. Legenda: rood is bebouwing, bruin is bouwland, helder groen is weiland en grijsgroen is tuingrond. Bron: HisGIS.
Niet alleen het buitengebied heeft de afgelopen tweehonderd jaar enorme ontwikkelingen doorgemaakt, zeker geldt dat ook voor het dorp zelf. Niets illustreert dat beter dan een kadastrale kaart uit 1832 die de bebouwing van 1832 in beeld brengt. In één oogopslag wordt de groeispurt duidelijk. Bebouwing was er in 1832 alleen op en rond de markt, met de Jacobskerk als onmiskenbaar middelpunt en langs de vier uitvalswegen. Met de klok mee de Meddosestraat, de Ratumsestraat, de Wooldstraat/Weurden en de Misterstraat (toen Bredevoordsche Straat). Bij elkaar 374 huizen plus wat kerkelijk en gemeentelijk goed. Vanuit deze ‘hoofdstraten’ verfijnden enkele smalle stegen het stratenplan. Deze liepen tussen de huizen door naar de achterliggende tuinen. We herkennen onder andere de Wemersteeg, Willinksteeg, Dingsteeg, Slatsteeg en de Goudvinkensteeg, Alleen aan de Boschersteeg en de Nieuwstraat/Lappenbrink lag bebouwing. Het gemeentehuis stond aan het begin van de Wooldstraat, half op de tegenwoordige markt. Op de kaart is ook het begin van de Spoorstaat (toen Koesteeg geheten) te zien. Er stonden toen zes panden aan de noordzijde, direct om de hoek met de Wooldstraat. Dat was het wel zo’n beetje.
Overigens moeten we ons van de meeste huizen geen overdreven voorstelling maken. Ruim de helft betrof zeer eenvoudige arbeiderswoningen, ook naar de normen van die tijd, of wat we nu krotten zouden noemen. Behalve de Jacobskerk telde Winterswijk twee andere kerken: de doopsgezinde kerk (1711) op de plek waar die nu nog staat en de rooms-katholieke Jacobuskerk (1799) aan het begin van de Misterstraat (in1869 verplaatst naar de huidige plek). De Whemerbeek stroomde vrijelijk aan de oostkant buiten het dorp. Een brug in het begin van de Ratumsestraat moest droge voeten garanderen. Direct langs de beek lagen weilandjes die waarschijnlijk ook als bleek dienstdeden. De Algemene Begraafplaats aan wat nu de Singelweg is, was pas enkele jaren in gebruik en het baarhuisje moest nog gebouwd worden. Een eindje buiten de bebouwing aan de huidige Spoorstraat lag al de begraafplaats van de Israëlitische gemeente van Winterswijk.
Achter de bebouwing lag een lappendeken aan groentetuintjes voor eigen gebruik. De percelen waren vaak lang en smal omdat de huizen dicht aaneen lagen en erachter geen bebouwing lag. De weduwe Johanna Nijlant aan de Misterstraat had bijvoorbeeld een tuin van nog geen 5 meter breed, maar wel 60 meter lang. Op het toenmalige einde van de Misterstraat (net voor de kruising met de huidige Gasthuisstraat) was sprake van een soort van sociale woningbouw avant la lettre, het Armenhuis. De hervormde kerk had daar in 1827 twee rijen van tien huisjes laten bouwen. Het waren geen bijster grote optrekjes; de kavels varieerden van 22 tot 41 m2 waarvan de woonruimte misschien 12 m2 in beslag nam. Gegroepeerd achter de woningen lagen tuinen waar de bewoners zelf aardappels en groente konden verbouwen. De aanvraag van de ‘bouwvergunning’ werd gemotiveerd door het grote aantal armen dat een beroep deed op de kas van de hervormde gemeente. Voor een twintigtal betaalde de kerk de huur. hetgeen een jaarlijkse kostenpost van rond de 250 gulden betekende. Dat bedrag zou vrijvallen als ze in het Armenhuis gehuisvest konden worden.
Binnen de grenzen van de huidige bebouwde kom (toen Dorpbuurt West en Oost) lagen nog eens honderd woningen en boerderijen waarvan de meeste inmiddels alleen nog voortleven in een straat- of wijknaam: de Kloet, Eelink, Bargerbosch, Balink, Freriks, Jaspers, Wamelink, Rikkers en andere. Als een soort tweede ring om de kern lagen hogergelegen akkers met namen als Balink Enk1, Den Enk, Zuilens Enk, Helderskamp, Pelwijksche Enk, Scholtenenk en Hakkelerskamp. Voor een deel waren die eigendom van gefortuneerde dorsbewoners als de Willinks, de latere textielondernemers.
De textielfabrieken moesten nog gebouwd worden. De eerste (de voorloper van de latere Batavier) verscheen pas in 1866 aan de Zonnebrink. Wel was er een kleine katoenspinnerij. Ook de rest van de industrie (zeven leerlooierijen, een lijmkokerij, een kalkbranderij en een smederij) lagen gewoon tussen de woonhuizen. Tegenover de Jacobskerk bevond zich de voorloper van Hotel Stad Münster. Ook de voorloper van het Kronenhuis, de herberg Voorstershuis, later Croone, stond er al vele jaren, net als de Zwaan, al lag dat toen iets dichter bij de kerk. Na afloop van de zondagse kerkdienst het 1 Enk en es(sch) hebben dezelfde betekenis: een hoger gelegen, bolvormige akker op zandgrond. In Winterswijk was es(ch) gebruikelijk, maar in het kadaster van 1832 wordt veelal enk gebruikt. Een café in voor een borrel en een roddel was ook toen geen enkel probleem. Al zal de omzet dankzij de reformatie wel bescheiden zijn geweest.









