
De boortoren in Kotten, bij boerderij Plantengaarde. Foto: PR
Het land van Winterswijk 4: Op in de vaart der volkeren
AlgemeenWINTERSWIJK - Wie vandaag de dag door het buitengebied van Winterswijk wandelt of fietst, ziet een landschap dat door mensenhanden is gemaakt, een cultuurlandschap. Vele eeuwen menselijke bewoning hebben het landschap gekneed en gevormd en het zijn huidige aanzien gegeven. Ons landschap is niet statisch, het verandert voortdurend. Ouderen zullen weten dat het landschap van hun jeugd alleen nog in hun herinnering bestaat. In de serie ‘Het land van Winterswijk’ neemt Ronald van Harxen de lezer vanuit het heden mee naar het verleden en weer terug.
Door Ronald van Harxen
WINTERSWIJK ‘... zodat men zonder grote profetische gaven voorspellen mag, dat Winterswijk voorbestemd is te worden een centrum van een mijn- en industriegebied.’ Deze utopische voorspelling lezen we in het boekje De Gelderse Achterhoek door D.J. van der Ven, uitgegeven in 1917. De schrijver deed deze profetie naar aanleiding van de vondst van steenkool- en zoutlagen bij diepteboringen bij boerderij Plantengaarde in Kotten door de Dienst der Rijksopsporing van Delfstoffen. Daar werden in de jaren 1908-1910 op verschillende dieptes zoutlagen uit het Perm (251-299 miljoen jaar geleden) en op 1029 meter vijf lagen steenkool van verschillende dikte uit het Carboon (299-359 miljoen jaar geleden) aangeboord. Vanwege de complexe geologische ondergrond is het echter nooit tot exploitatie gekomen
In 1911 werd ook in Ratum op een diepte tussen 1134 en 1380 meter steenkool aangetroffen. Een tiental jaren later, in 1923, werden in Corle eveneens steenkool en zout aangetroffen, maar minstens zo bijzonder was daar de vondst van aardolie én aardgas. De eerste vondst van beide ooit in Nederland. In die jaren ontstonden er ook plannen voor een kanaal van Zutphen naar Winterswijk (als aftakking van het Twentekanaal) met een haven tussen de Ravenhorstweg en de Waliensestraat, zo’n beetje waar nu de rotonde in de Singelweg ligt. Van daaruit zou je dan over kunnen stappen op de tram (nog zo’n wild plan) die je via de Gasthuisstraat naar het station zou brengen. Jan Albert Maas van de toenmalige Molen de Vrees zag er direct nering in en begon in 1923 aan de Waliensestraat alvast een café met de naam Havenzicht, in afwachting van de horden arbeiders en toeristen die weldra zouden aanmeren.
Het waren de ‘bruisende jaren twintig’ van de vorige eeuw waarin ongebreideld optimisme en vooruitgangsgeloof de boventoon voerden. In het dorp werden maar liefst twee ziekenhuizen gebouwd en de woningbouw kreeg een forse impuls met de bouw van 225 arbeiderswoningen op de Scholtenesch. De steenkool- en zoutlagen in Corle werden op het ministerie gekwalificeerd als “een vondst van de hoogste waarde welke verstrekkende gevolgen kon hebben.”
Bij natuurbeschermers zat de schrik er dan ook goed in. In de Levende Natuur van 1922 schrijft de bekende natuurbeschermer Jac. P. Thijsse: “Bijzonder tragisch is het geval met het Korenburger veen, dat de Vereeniging (Natuurmonumenten) een jaar of zes geleden heeft gekocht en dat wat flora en fauna en geologisch gebeuren betreft, wel ons mooiste natuurmonument mag heeten. Dat gaat nu hoogstwaarschijnlijk onherstelbaar verloren. De boring, die het Rijk heeft doen verrichten bij Corle, vlak bij ‘t veen, heeft aangetoond, dat de bodem rijke zoutbeddingen bevat en nu is het wel onvermijdelijk, dat daar een streek komt van mijnen en fabrieken, die ons veen zullen verzwelgen en bedekken en niet alleen ons veen, maar nog een groot deel van de onvolprezen omgeving van Winterswijk, een omgeving, die we eigenlijk pas in de laatste tientallen jaren algemeen hebben leeren waardeeren.”
In 1930 kreeg de Maatschappij tot het verrichten van Mijnbouwkundige werken met de bankiers Hope en Co als financier concessie om in een 10.430 hectare groot gebied delfstoffen te winnen. De concessie - Gelria geheten - omvatte behalve Winterswijk ook delen van de gemeente Lichtenvoorde, Groenlo en Eibergen. Er werd gesproken over een winbare hoeveelheid van 800 miljoen ton steenkool. In Groenlo werd alvast een pand aangekocht om een kantoor in te vestigen en bij speculanten sloeg de goudkoorts toe. In 1931 sprak de maatschappij de verwachting uit dat ze in 1946 twee mijnen geopend zouden hebben die jaarlijks twee miljoen ton kolen zouden opleveren en werk zouden bieden aan 25.000 werknemers. Blijkbaar wilde het allemaal nog niet echt vlotten want op een aandeelhoudersvergadering in 1937 werd ‘door een der aanwezige bezitters van vele aandelen de vraag gesteld of niet zeer weldra de tijd zal zijn aangebroken om tot ontginning van het mijngebied ‘Gelria’ over te gaan’ (Nieuwe Winterswijksche Courant 6 april 1937). Niet veel later brak de Tweede Wereldoorlog uit en 1951 bakken Coevordense huisvrouwen als eerste appeltaart in een oven gestookt op aardgas.
Inmiddels weten we dat de Nederlandse steenkolenmijnen in Zuid-Limburg voorspoed, maar ook veel ellende hebben gebracht, dat het bekende JOdiumZOut onder andere bij het Twentse Hengelo wordt gewonnen, de olie aanvankelijk bij Schoonebeek uit de grond kwam en half Groningen verzakt vanwege het aardgas en dat het kanaal nooit is gegraven. Stel je voor, dat het allemaal in Winterwijk was gebeurd … Soms is het beter even niet mee te lopen in de vaart der volkeren. Overigens werd bij Corle op weg naar de steenkool ook voor het eerst oorspronkelijk Nederlands stollingsgesteente aangetroffen. Een bewijs dat hier ooit sprake was van vulkanisme. Het had ook slechter kunnen aflopen dus …









