
Hennie (zittend, Henk en Johan bij een kast voor de kerkuil. Foto: Ronald van Harxen
Johan, Hennie en Henk voorzien al 125 jaar kerkuilen van een woning
NatuurWINTERSWIJK - Samen hebben ze bijna 250 jaar aan levenservaring, Hennie Esselink (91), Johan Arentsen (83) en Henk Wesselink (72), maar relevanter voor dit verhaal is hun ervaring met kerkuilen. En ook die is aanzienlijk: ruim 125 jaar. En dan te bedenken dat Henk er nog maar pas relatief kort bij betrokken is en dat Johan door omstandigheden een tijd geleden heeft moeten afhaken. Samen hebben ze in de loop der jaren vele honderden nestkasten gecontroleerd en duizenden jongen kerkuilen van een ring voorzien. In Winterswijk, maar ook in Aalten en Lichtenvoorde, als lid van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek.
Door Ronald van Harxen
Ze staan voor de oude schoppe van de voormalige scholtenboerderij Hijink in het Woold. Tegen de achtergevel van de schuur hangt aan de binnenkant al sinds de jaren 60 een kerkuilenkast. Op vloer van de schoppe getuigen een tweetal veren, verse schijtplekken en enkele braakballen van recent kerkuilenbezoek. Henk, sinds een jaar of vier samen met zijn vrouw woonachtig op Hijink: “Helaas is de kast al een paar jaar niet meer bezet. Waarschijnlijk broedt hij bij de buren iets verderop, maar nu en dan op bezoek komen, doet hij nog steeds. Ik moet eigenlijk een keer bij de kast klimmen om te zien of er misschien iets mis mee is.” Gezien de toestand van de schuur en vooral van de zolder, is dat nogal een uitdaging. Het gebinte is van onverwoestbaar honderden jaren oud eikenhout, maar de muren moeten her en der gestut worden en de planken die de zolder vormen, hebben hun beste jaren gehad. In de afgelopen decennia zijn er tientallen kerkuilen in de kast groot geworden en in de schuur hebben er ongetwijfeld vele hun eerste vlieglessen gehad. Wijlen Ab Hijink, de laatste scholtenboer op Hijink, was gek op zijn kerkuilen, weet Johan zich te herinneren. “Hoe vaak ik hier na het ringen niet aan de keukentafel heb gezeten. Vaak ging het gesprek over vogels. Over de ortolanen bijvoorbeeld, die op de es achter de boerderij broedden. Hijink hield van vogels.” Henk: “Zo jammer dat die uitgestorven zijn, niet alleen in Winterswijk, maar in heel Nederland. Prachtige beestjes!”
Johan: “Ik was zeventien of achttien toen ik in 1958 met het timmeren en ophangen van nestkasten voor kerkuilen begon. Hoe ik erbij gekomen ben, herinner ik me eigenlijk niet goed meer, maar wel dat ik een van de eersten was in Nederland. Niemand deed dat toen nog. Na de extreem strenge winter van 1963 was het bijna gebeurd met de kerkuil in Nederland. Ze stierven bij bosjes van de honger. Het gebruik van pesticiden (DTT) deelde ook een flinke tik uit. De strenge winter van 1979 deed de rest. Pas toen DTT verboden werd en strenge winters uitbleven kon de stand zich eind jaren 80 herstellen. Ondertussen hadden we overal kasten opgehangen, zodat er ook volop geschikte broedplaatsen waren.
Johan en Hennie kennen elkaar van de Philips toen die nog aan de Beuzenes zat. Johan werkte als modelbouwer en Hennie werkte op de financiële administratie. Ze bleken beiden in vogels geïnteresseerd en al snel trokken ze er samen op uit om kerkuilen te ringen. Hennie kon goed met hout overweg en nam het timmeren van nestkasten voor zijn rekening, iets dat hem bijna vijftig jaar later nog steeds voldoening geeft. Vele honderden heeft hij er getimmerd, in de kleine werkplaats achter zijn huis. Johan: “Het contoleren van nestkasten was leuk werk. Overal was je welkom en waren mensen geïnteresseerd. Soms werden de kinderen uit bed gehaald om het mee te maken. Na afloop was er vaak koffie met gebak.” Hennie: “We gingen vaak ’s avonds op pad, maar ik herinner me dat we ook weleens in de lunchpauze bij de Philips jongen geringd hebben, aan de Badweg. Even tegen de baas zeggen dat je wat later was, dat kon toen nog.”
Hennie: “Ik weet nog dat ik kort na de oorlog, ik zal een jaar of dertien, veertien zijn geweest, met een paar jongens en de koster de toren de kerk in Meddo beklom, hoger en hoger, en dat we helemaal bovenin op vijf tot zes witgesluierde gestalten stuitten. Geen engelen, maar kerkuilen, wist de koster. We konden ze zo van de balken plukken.” Henk: “Ik ben ooit gebeld door de koster van dezelfde kerk - het zal een opvolger zijn geweest - dat er een kerkuil in de kerk zat, nota bene op het kerkorgel. Hij wilde hem graag naar buiten hebben. Op het orgel klimmen mocht ik niet, stel je voor dat ik het beschadigde, maar om hem tot de zondagsmis te laten zitten, leek de koster ook geen goed idee. Toen hebben we maar de kerkdeuren wagenwijd opengezet en tegen de avond bleek de kerkuil zelf de uitgang gevonden te hebben. Net voor het dameskoor kwam repeteren.”
Henk: “We bezoeken elk nest in principe één keer, vanaf begin juni, om de jongen te ringen. Alleen als ze te klein zijn om te ringen, komen we later een keer terug”. “Gelukkig blijven jonge kerkuilen lang op het nest, wel zeven tot achten weken” vult Johan aan, “dus je grijpt niet gauw mis.” Henk: “Maar soms wel, zoals vorig jaar bij een nest. Toen we daar half juni kwamen, stonden de jongen al punt van uitvliegen. Het bizarre was echter dat er bij de buren – amper honderd meter verderop – ook kerkuilen broedden, met jongen van nog geen twee weken oud. Zo dicht op elkaar en ook zo’n groot leeftijdsverschil zien we maar weinig. Mogelijk betrof het één mannetje dat er twee vrouwen op nahield en wilde hij de werkzaamheden – mannen zorgen voor de muizen – een beetje spreiden.”
Voor meer informatie over de Achterhoekse en Liemerse kerkuilen: www.kerkuilenal.nl
Kader
De kerkuil – karkoele - is één van de vijf soorten uilen die in Winterswijk voorkomt. Ze broeden vooral op (boeren)erven in het buitengebied, in nestkasten. Kenmerkend is de witte gezichtssluier en hun roerloze houding. Het zijn echte nachtdieren die overdag rusten en pas na het invallen van de schemering op muizenjacht gaan.
De laatste jaren broeden er tussen de dertig en veertig kerkuilenpaartjes in het werkgebied van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek, waarvan ongeveer de helft in Winterswijk. Het aantal schommelt nogal, afhankelijk van de (veld) muizenstand. Datzelfde geldt voor het aantal jongen. In goede muizenjaren is zeven jongen niet ongewoon, in slechte muizenjaren zijn het er maar twee of drie. Sommige paren slaan dan zelfs een jaar over.
Kerkuilen zijn heel efficiënte muizenjagers door hun relatief lage gewicht, uitmuntende gehoor en hun geruisloze vlucht. Ze leven vooral van (veld)muizen, maar als die er wat minder zijn vangen ze ook de nodige (huis)spitsmuizen. De ranzige geur en dito smaak van die laatsten nemen ze op de koop toe, iets wat andere muizenjagers veel minder doen.
Keerzijde van hun lage gewicht is dat ze weinig vetreserves hebben. Een paar dagen sneeuwbedekking - waardoor ze niet bij de muizen kunnen - en ze al leggen het loodje. Als er in het broedseizoen daarop veel muizen zijn, leggen kerkuilen veel eieren en krijgen ze meer jongen. Daardoor kan de stand zich weer herstellen. Bij langdurige sneeuwbedekking én een lage muizenstand, kan het echter wel een paar jaar duren.











