
Schapen begrazen een stukje heide aan de Dollemansweg. Foto: Ronald van Harxen
Het land van Winterswijk: De laatste heide
AlgemeenWINTERSWIJK - Wie vandaag de dag door het buitengebied van Winterswijk wandelt of fietst, ziet een landschap dat door mensenhanden is gemaakt, een cultuurlandschap. Vele eeuwen menselijke bewoning hebben het landschap gekneed en gevormd en het zijn huidige aanzien gegeven. Ons landschap is niet statisch, het verandert voortdurend. Ouderen zullen weten dat het landschap van hun jeugd alleen nog in hun herinnering bestaat. In de serie ‘Het land van Winterswijk’ neemt Ronald van Harxen de lezer vanuit het heden mee naar het verleden en weer terug.
Door Ronald van Harxen
Nog tot diep in de negentiende eeuw doemde er, wanneer je het dorp aan de oostkant via de voorloper van de Kloetenseweg verliet, een onmetelijk heideveld voor je op, het Vosseveld. Een uur gaans verder (5 km lopen) bereikte je, als je stevig doorliep, dan bij Oeding de Duitse grens. De fiets moest nog uitgevonden worden, dus lopen was het enige wat er op zat. Onderweg kwam je behalve hier en daar wat berken en af en toe een groepje grove dennen, vooral struwelen met jeneverbes tegen.
In het voorjaar kon je er de baltsroep van het korhoen horen. Voor de jaren dertig van de vorige eeuw broedden er op de Winterswijkse heidevelden honderden korhoenders. Ze werden soms gestroopt omdat ze schade toebrachten aan de roggevelden. Daarna liep de stand snel terug. In een verslag over de wildstand uit 1971 wordt opgemerkt: “… alleen korhoenders en patrijzen zijn er minder, maar dit heeft niets met de jacht te maken, maar komt uitsluitend door de veranderingen in de biotoop; een korhoen heeft grote velden heide nodig.” Tegenwoordig komen korhoenders alleen nog op de Holterberg voor, waar de populatie met kunst en vliegwerk in stand wordt gehouden. Uit Winterswijk is hij al lang verdwenen.
Van die uitgestrekte heidevelden is zo goed als niets meer over. In het Rommelgebergte liggen de laatste restjes van wat ooit het uitgestrekte Meddose Veld was en in de Muggenhoek resten enkele snippertjes Masterveld. Langs de Kossinkweg ligt een klein veldje en zo her en der elders nog. Bij elkaar zal het amper tien hectare zijn, schat ik, nog geen kwart procent van wat er ooit was.
Waar kwam die enorme oppervlakte heide vandaan? Laat immers een stukje grond aan zijn lot over en met een paar jaar staat er bos, geen heide. Zouden we in heel Nederland alle grondbewerking stoppen, dan zouden grote delen van het land met bos bedekt raken. Zo was het totdat mensen bezit van het landschap begonnen te nemen.
Nog in de Romeinse tijd was een groot deel van ons land bedekt met opgaand (oer)bos. Door voortdurende houtkap in de eeuwen daarna (brandstof, bouwmaterialen) raakte de grond zo uitgeput dat er alleen nog maar heide wilde groeien. Vanaf de late middeleeuwen begon die heide een belangrijke schakel te vormen in het landbouwsysteem. De weinige dierlijke mest die er was, werd in de potstal vermengd met heideplaggen om deze te binden en te verhinderen dat het op de zandige akkers snel zou wegspoelen. In het voorjaar werd de mest op de akkers uitgereden, waarna in de zomer weer een ander stuk heide werd geplagd. Het duurde zeven tot tien jaar voordat een stuk heide opnieuw geplagd kon worden. Omdat er alleen maar voedingstoffen werden afgevoerd, verschraalde de grond steeds verder. Op sommige plekken kon zelfs de heide zich niet meer herstellen en kwam het fijne, gele zand bloot te liggen. De wind stoof het op en onder andere op de Veluwe ontstonden stuifzanden van tientallen vierkante kilometers.
Zover is het in Winterswijk nooit gekomen, maar de heide besloeg ooit wel 65 tot 70 procent van de oppervlakte van de gemeente. Eeuwenlang was heide een kostbaar bezit, onontbeerlijk voor de landbouw. Er werd dan ook streng op toegezien dat alleen rechthebbenden de heide exploiteerden. Buitenstaanders werden geweerd en er is menig proces gevoerd om paal en perk te stellen aan illegaal plaggensteken en vee weiden. Pas toen andere vormen van bemesting beschikbaar kwamen, vanaf 1800 bijvoorbeeld guano (gedroogde vogelpoep uit Peru en Chili) en vanaf 1880 thomasslakkenmeel (gemaakt uit fijngemalen hoogovenslakken van fosfaatrijk ijzer), begon het gebruik van heideplaggen voor bemesting af te nemen.
De grote doorbraak kwam met de uitvinding van de kunstmest in het begin van de twintigste eeuw. Dat maakte de weg vrij voor het grootschalig ontginnen van de heidevelden. De werkverschaffing tijdens de crisisjaren in de jaren dertig gaf het laatste zetje en de allerlaatste restjes werden na de oorlog in cultuurland omgezet.
Van de Vossenveldse heide resteert alleen nog het Natura 2000 gebied de Willinks Weust, maar veel heide staat ook daar niet meer en de jeneverbessen hebben het er moeilijk. Nog in deze eeuw verdween een laatste snippertje langs de Bekeringweg. Nee, zuinig zijn we er niet op geweest, onze Winterswijkse heide.








