
Op weg naar 10 Winterswijkse oehoe broedparen
AlgemeenWINTERSWIJK - Het is juni 2002 als Gejo Wassink gebeld wordt door collega Ab Kreunen van de vogelwerkgroep: of hij ook jonge ransuilen wil ringen. Gejo is op dat moment degene binnen de vogelwerkgroep die roofvogels ringt, en zo maar ransuilen ringen ziet hij niet zo zitten. “Ze zijn wel erg groot voor ransuilen, misschien zijn het wel oehoes”. Gejo reageert vol ongeloof: “Dat is onmogelijk, oehoes komen in Nederland alleen in het puntje van Zuid-Limburg voor.” Later dat jaar lopen beiden hetzelfde bos in om een nest torenvalken te ringen, als ze aangesproken worden door een buurtbewoner: “Hebben jullie die grote ‘oelen’ al gezien?” Ze kijken elkaar aan, grote oelen? Voorzichtig begint het lampje te branden. Op het bospad zien ze plots een geplukte kievit en een flink toegetakelde houtduif. Ze worden meegenomen naar de computer van de buurtbewoner om daar de talloze filmpjes te bewonderden die hij van de ‘grote oelen’ heeft gemaakt. Geen twijfel mogelijk: oehoes!
Door Ronald van Harxen
De allereerste van Nederland buiten Zuid-Limburg. Niet in de steengroeve, zoals misschien een keer te verwachten viel, maar gewoon in een bos, op een oud nest van een buizerd. Bij Gejo slaat de vlam in de (hersen)pan en groeit het brandende lampje uit tot een levenslang passievuur voor deze grootste uilensoort van de wereld.
Enkele jaren later wordt er voor het eerst een broedpaar ontdekt in de steengroeve in Ratum. In 2007 worden daar voor het eerst jongen gezien. Het tweede Winterswijks broedpaar is een feit. Daar zou het echter niet bij blijven. In de loop der jaren vestigt zich het een na het andere broedpaar, vooral in het bosrijke Woold, maar ook elders, zoals in de Haart en Kotten. Hoewel oehoes vooral geassocieerd worden met gebergtes, blijkt de soort het in Winterswijk – bij gebrek aan steile wanden – ook goed te doen op oude roofvogelnesten en zelfs af en toe op de grond te broeden. Voor 2025 staat de teller inmiddels op acht broedparen, met een negende in het vizier.
Oehoes maken zelf geen nest en zijn dus afhankelijk van ‘leegstand’ al zijn ze niet te beroerd die leegstand een beetje te bevorderen door de rechtmatige eigenaren (en bouwers) van hun eigendom te verjagen. Als toppredator hoeven oehoes eigenlijk voor niets en niemand bang te zijn, ook niet voor toch ook forse jongens als havik en buizerd. Dergelijke nesten hebben helaas een beperkte levensduur – in de hand gewerkt door acht of tien kilo oehoe (ouders plus jongen) die er op enig moment bovenop zitten. Leegstand wordt dan al gauw scheefstand.
Gejo: “Het aantal uren dat ik de afgelopen jaren gespendeerd heb aan het zoeken van oehoes, is niet te tellen. Het is erg arbeidsintensief omdat je bij elk groot boscomplex in de periode januari-maart moet luisteren of je oehoes hoort. En ze roepen lang niet elke avond. Sinds dit jaar maak ik gebruik van een geluidsrecorder die ik op verdachte plekken twee weken lang ophang. Die moet ik dan thuis uiteraard afluisteren, maar omdat de roep van een oehoe een toonhoogte heeft van 300 tot 400 Herz – de vrouwtjes iets hoger dan de mannetjes – zijn ze er vrij snel tussen uit te pikken op basis van het spectrogram.
Van lang niet elk broedpaar vindt Gejo - regelmatig getipt door de leden van de vogelwerkgroep - het nest, maar soms heeft hij mazzel. Gejo: “Afgelopen week kreeg ik een berichtje van een campinggast die grote uilen had gezien bij een nest in de bosrand.” Wijs geworden door de ervaring van 2002 - onmogelijk op zo’n plek – springt hij dan toch in de auto. “Aanvankelijk niets gevonden, alleen twee grote havikshorsten, maar later kreeg ik foto’s opgestuurd van twee oehoejongen op de rand van het nest”, vertelt Gejo.
Gevraagd of met acht broedparen de bovengrens wel zo’n beetje bereikt is, meent Gejo: “Misschien is er nog ruimte voor een stuk of drie erbij, maar dan zal het wel zo’n beetje ophouden. Alhoewel: toen ik een aantal jaren geleden opmerkte dat er in Nederland weleens 25 oehoes zouden kunnen gaan broeden, werd ik in vogelaarskringen voor gek versleten. De tussenstand voor dit jaar staat inmiddels op 117. Ik bedoel maar.“









