‘Ik wil gedachten uitpellen, in de basten krabben’
<p>Jan Wagenvoort is een echt buitenmens. Foto: Liesbeth Spaansen</p>

Jan Wagenvoort is een echt buitenmens. Foto: Liesbeth Spaansen

‘Ik wil gedachten uitpellen, in de basten krabben’

Jan Wagenvoort verbeeldt de natuur in Giezelglans

Door Liesbeth Spaansen

HENGELO - Na drie boeken van zijn hand, Puur Natuur, Buten Thuus en Bladeren met verhalen en foto’s, heeft Jan Wagenvoort (68) uit Hengelo nu een boek vol gedichten en gedachten gemaakt, opgesierd met (natuur)foto’s. “In Giezelglans staat hoe ik me buiten verwonder over de natuur. Hoe ik de natuur zie, hoe we moeten samenleven met de natuur. De noodzaak van ons bestaan is nooit aangetoond, de natuur gaat ook wel door zonder ons”, legt hij uit.

Jan wilde schrijver worden en fotograaf/filmer. “Ik kreeg met m’n twaalfde jaar al een oud fotocameraatje. Ik heb geen studie gedaan, ik doe het op mijn manier.” Hij heeft nog altijd een analoog fototoestel. Het digitale werk is niks voor hem. “Ik ga vaak meer keren naar een plek terug om toch een betere foto te kunnen maken.”

Een creatieve kop zit er wel op, moet Jan bekennen. “Als puber heb ik al veel geschreven. Bandrecorder naast mijn bed en als ik dan ’s nachts wakker werd, zette ik het ding aan. Op zondag ging ik dan afluisteren”, glimlacht hij. “Ik heb veel weggedaan. Je schrijft meer dan functioneel is. Mijn zoon heeft veel proppen gevonden in de prullenbak van het hökske. Ik vind het fantastisch om te boetseren met woorden. Dat die kriebeltjes op papier emoties, tijd en beelden in geluiden kunnen omzetten. Zodat een ander voelt wat je vertelt. Dat is fantastisch mooi, vooral als het gaat schuren. Met woorden dollen en zeggen wat je denkt.”

Kunst brengt emotie over, vindt Jan. “Kijk naar de Schreeuw of de Gebroken spiegels, prachtig. Ik wil mensen raken met mijn gedichten. Ik wil gedachten uitpellen, in de basten krabben. Mooie gedachten zijn in de pen doodgegaan, steeds zijn woorden verdwenen tot de kern van wat ik wil raken.”

Natuur
Hij is al vanaf kind af aan een echt buitenmens. “Mijn opa was al een natuurkearl en daarna mijn vader. Oog hebben voor de natuur, kunnen observeren. Weten dat het gaat regenen als een ree overdag is te zien, of als eenden zich gaan poetsen en er een melkachtige zweem op het water komt. Hoe komen ganzen in de mist op het land en dan elk uur een groepje erbij. Hoe weten ze dat? Hoe kan het dat vogels de weg weten naar het zuiden, hoe waarschuwen bomen en planten elkaar? Giraffes eten bladeren van de acaciaboom. Die boom maakt dan gif aan om zichzelf te beschermen. Na een half uur zijn de bladeren niet meer lekker en gaat de giraffe door naar een andere boom. Het is fenomenaal hoe de natuur in elkaar zit. Fragiel. Onvoorstelbaar. De taal van de natuur. We onderschatten het nog steeds.”

Jan vindt wel dat moet worden nagedacht over afval, energietransitie en biodiversiteit. “Maar houd daarbij het oog op de natuur. We moeten met z’n allen de natuur in zijn waarde laten, niet vernietigen. We moeten innoveren, er vernieuwend tegenaan kijken.” De natuur is zo sterk als de zwakste schakel.”

Het is wel drukker in de natuur, vanwege corona. “Wandelaars en joggers, ze gaan hun kop leegmaken”, weet hij. “Maar je moet met een lege kop de natuur ingaan. Dan kan die er wat indoen. Het is verder aan de natuur zelf. Er is misschien meer onrust omdat er meer mensen aan het sporten zijn. Het blijft heerlijk om buiten te lopen, je bent er nooit eenzaam. Tussen de mensen kun je heel eenzaam zijn.”

Jan Wagenvoort heeft zich altijd ingezet voor de natuur. “De maatschappij is heel snel, bij mij is alles trager. Als ik de natuur inga vertraagt de boel. Ik ben alleen en niemand die stoort. Ik heb dan geen kwartiertje maar een hele tijd.” Hij ziet de ree weer voor zich in het zachte nevellicht. “Het staat stil. Ik sta stil.”

Dichter
Jan hing al wat getypte velletjes in de schuur. “Om uit te proberen wat mijn gedichten doen met mensen. Gedichten over de jaren ’50 van toen ik twintig jaar was en werk van latere jaren.” Vraag naar de gedichten van Jan was er. “Tijdens de Nacht van de Nacht draag ik ze voor en tijdens de inburgeringscursus van nieuwe inwoners van Bekveld. Ik kan er nu iets mee in een nieuw boek en ben blij met iedere glimlach.”

Hij blikt terug. Hij werd geen schrijver. “Het liep allemaal anders, maar nu zijn er toch vier boeken en ik ben blij dat ik dat gedaan heb.” In Gieselglans, ondergebracht bij uitgeverij Hermans in Hengelo, staan heel veel gedichten, onderverdeeld in Nederlands en dialect, lang en kort, vroeger en nu, met tot slot spreuken in dialect.

In het eerder genoemde hökske vertrouwt Jan Wagenvoort zijn gedichten en gedachten in prachtig handschrift toe aan vellen papier. “Ik moet daarom ook mijn familie bedanken. Dinie typt alles in de computer en de kinderen helpen met digitaliseren van de foto’s”, lacht hij zijn vrouw toe. Dinie geeft aan dat het uitwerken van de gedichten met de computer een flinke klus was. “Vooral omdat Jan in zijn gedichten wat aantekeningen heeft gezet. Haken voor tekst ergens tussen, pijlen gaven aan dat een zin naar een andere plek moest.”

Al wandelend trof Jan giesel aan op het weiland. “Giesel is rijp, aangevroren vocht. De opgaande zon gaf een regenboogkleur op deze giesel, het glansde. Gieselglans.” De gedichten hebben dat ook. “Echte rijkdom zie je niet, die voel je.”

Meer berichten
 

Dagelijks het laatste nieuws in je mailbox ontvangen?

Aanmelden