Rozenkever
In mijn tuin wemelt het er momenteel van: rozenkevers. Ook wel bekend onder de namen johanneskever, rozenmeikever en tuinkever. Die laatste is naar mening de meest toepasselijke (rozen staan er niet in mijn tuin) en is ook de letterlijke vertaling van de wetenschappelijke naam Phyllopertha horticola, waarbij horticola is afgeleid van het Latijnse ‘hortus’ en ‘cola’ en aldus vertaald mag worden als tuinbewoner. De geslachtsnaam Phyllopertha verwijst naar de oud-Griekse woorden voor blad (phullon) en verwoesten (perthÅ). Vrij vertaald dus: bladverwoestende tuinbewoner.
Als ik zo mijn tuin rondkijk, valt dat overigens nog wel mee. Ze mogen gerust nog wat meer snoeiwerk voor hun rekening nemen.
Rozenkevers behoren tot de familie van de bladsprietkevers waartoe onder andere ook mestkevers en de mei- en junikever behoren. Het is de moeite waard ze eens van dichtbij te bekijken. Inzoomen met de camera van de telefoon werkt daarbij uitstekend. Het lijken een soort mini-meikevers. Twee lichtbruine dekschildjes die de keurig opgevouwen vleugels beschermen, een metaalachtig groen borststuk en dito kopje. De twee sprieten op de kop eindigen elk in drie lamellen waardoor ze een soort dubbele Neptunes lijken. Ze missen de witte driehoekjes op de flanken die de meikever zo kenmerken. Ze zien er een beetje woest uit, zowel de poten als de flanken zijn dicht behaard, ongeschoren. Speurwerk levert op dat die beharing verschillende functies kan hebben zoals afweer tegen belagers en voor isolatie, maar ook als tastorgaan kan fungeren. Waar ze bij rozenkevers precies voor dienen, kon ik niet achterhalen. Maar de vraag intrigeert. Net als de vraag of je mannen en vrouwen van elkaar kunt onderscheiden aan de vorm van de sprieten. Bij meikevers hebben mannen meer en grotere lamellen dan de vrouwen. Maar alle rozenkevers die ik bekijk zien er allemaal hetzelfde uit: drie korte lamellen. Of er is geen verschil, of mijn tuin wordt alleen door één geslacht bevolkt.
Bij zonnig weer worden ze echt actief. Als ik - terwijl ik dit stukje zit te tikken - even de tuin in loop zie ik er tientallen vliegen. Ogenschijnlijk doelloos en kriskras door elkaar heen. Maar misschien zit er wel degelijk een patroon of een strategie in, maar doorzie ik die nog niet. Het helpt niet dat ze zo op elkaar lijken. Het is daardoor lastig een individu voor langere tijd te volgen. Het zijn, lijkt me, iets handigere vliegers dan meikevers. Ze ploffen niet zomaar op hun rug als ze ergens tegenaan vliegen om dan met veel moeite weer op te staan. En er eentje uit de lucht plukken, bij meikevers een koud kunstje, is me ook niet gelukt.
Wat ze nog meer gemeen hebben met meikevers, is dat hun larven zich ondergronds te goed doen aan plantenwortels. Dat levert soms wat schade op in de vorm van een kale plek in het gazon of een wat zielloos sierplantje. Wat mij betreft weegt die echter ruimschoots op tegen het genot ze te kunnen observeren. En nu maar hopen dat ze ook mijn hop te lijf willen gaan.