Over aard- en kloothommels

Terwijl ik in de ochtendzon geniet van mijn kopje koffie, strijkt er een aardhommel neer op een bloem van de stinkende gouwe naast me. De hommel is eenvoudig te herkennen aan zijn gele banden en witte kont. Hij pikt wat nectar, neemt en passant wat stuifmeel mee en vliegt door naar een andere plant. Daar herhaalt het schouwspel zich. De volgende bloem slaat hij over en voor de daaropvolgende blijft hij een halve tel stilstaan alvorens door te vliegen naar de overkant van de tuin. Het leek willekeurig, maar was het dat wel? In mijn tuin staan tientallen stinkende gouwes die elk vele bloemen dragen. Zou hij die op goed geluk afgaan en dan onvermijdelijk een bloem tweemaal of zelfs driemaal tevergeefs bezoeken? Dat leek me nogal inefficiënt en energieverspillend. Maar hoe weet hij dan waar hij wel en niet moet zijn? Internet bracht al snel het antwoord. Door hun snelle vleugelslag raken hommels licht positief geladen. Planten daarentegen zijn negatief geladen. Deze negatief geladen deeltjes springen over naar de positief geladen hommel, waardoor de spanning van de plant verandert. Een hommel ‘voelt' het dus als een bloem door een andere hommel is bezocht. Het heeft dan geen zin zo'n bloem nogmaals te bezoeken, want de suikerhoudende nectar is al meegenomen. Dat verklaart dus het voorbijvliegen van bloemen die er ogenschijnlijk even aantrekkelijk uitzien. De bloemen waarvoor hij kort stilstaat zijn blijkbaar de twijfelgevallen. Hommels - en ook bijen en zweefvliegen - hebben dus een soort van ingebouwde spanningszoeker. Je blijft je verbazen over de innovatieve oplossingen die evolutie heeft ‘uitgevonden'.
Hommels worden - in tegenstelling tot wespen - door mensen wel gewaardeerd. Ze malen niet om limonadesiroop, gebruiken hun angel alleen in noodgevallen en zien er aaibaar uit. Maar waarom noemen we dan iemand die ons slecht behandelt of benadeelt een kloothommel, niet bepaald een vleiende benaming? Zeker, het woord ‘kloot' kennen we van klootzak. Daarmee werd vroeger het onder het mannelijk geslachtsdeel hangende zakje benoemd waarin zich de teelballen bevinden. Op enig moment werd het een scheldwoord. Een klootzak is dan ook meestal van het mannelijk geslacht. De toevoeging ‘hommel' dient om te verzachten. Proef het verschil maar eens op de tong: "Wat ben je toch een klootzak … kloothommel”. Het laatste heeft iets van: eigenlijk ben je ook maar een stumper die er niets aan kan doen.
Nog even over die stinkende gouwe waar mijn hommel zo door werd aangetrokken. Ook weer zo'n tweeslachtige benaming: stinkend en gouwe (goud). Een ondergewaardeerde plant wat mij betreft. Bekijk de bloemen maar eens in detail: vier gele kelkbladeren die een tiental hunkerende meeldraden omsluiten die vertwijfeld pogen de groene stijl met gele stamper naar de kroon te steken. Het onderste deel - het vruchtbeginsel - groeit uit tot een centimeters lange vrucht die zwarte zaadjes bevat waar mieren dol op zijn en graag meenemen. Vergeten zaadjes groeien uit tot een nieuwe gouwe. Zo helpen de mier en de hommel elkaar. En de gouwe? Die lacht in zijn vuistje.