Paardenbloemen
Het zal iedereen die in deze tijd van het jaar weleens buiten komt, opgevallen zijn dat sommige weilanden geel zien van de paardenbloemen terwijl naastliggende percelen verstoken blijven van zelfs ook maar het kleinste sprankje geel. Paardenbloemen behoren denk ik tot die weinige planten die iedereen, zelfs als je vroeger tijdens de biologieles alleen oplette als het over voortplanting ging, wel kent. Ze lijken dan ook onmiskenbaar met hun krans van gele lintbloemen die na de bloei veranderen in een pluizige, witte bol. Toch zouden paardenbloemen ook tijdens de ‘voortplantingsles' een dankbaar onderwerp zijn geweest, want de meeste paardenbloemen doen niet aan seks. Het verhaal van de bloemetjes en de bijtjes gaat voor hen dan ook niet op.
En dan nog wat: dé paardenbloem bestaat niet. Kenners onderscheiden voor Nederland alleen al wel tweehonderd soorten die net als twee druppels water in detail van elkaar verschillen. Best wel frustrerend: denk je behalve tulpen nog ten minste één andere plant te herkennen en te denken dat er voor een succesvolle voortplanting vrouwen én mannen nodig zijn, zit het weer anders in elkaar.
Beide hebben echter met elkaar te maken en dat is best wel een boeiend verhaal.
Eén theorie verklaart het ‘vaderloze bestaan' van paardenbloemen uit hun relatief snelle terugkeer nadat de laatste ijstijd elfduizend jaar geleden op zijn eind begon te lopen. Toen paardenbloemen vanuit hun ‘overwinteringsgebieden' in het uiterste zuiden van Europa gestaag aan hun terugtocht naar het noorden begonnen, waren insecten nog niet zover. Bestuiving door insecten (met mannelijk zaad) was dus geen optie. De oplossing die ze ‘kozen' was een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij nieuwe planten zich rechtstreeks uit een eicel ontwikkelden. Nakomelingen zijn daardoor genetisch gelijk aan de moederplant. De kleine verschillen tussen de paardenbloemen die naar het noorden oprukten die in de ijstijdisolatie waren ontstaan, konden daardoor blijven bestaan. Elke soort, biologen spreken ook wel van een microsoort, ‘veroverde' vervolgens een eigen groeiplaats. De een houdt van droge, schrale grond, terwijl de ander het beste gedijt op een wat vochtigere en voedselrijkere bodem of iets daartussenin. Kenners onderscheiden wel tweehonderd verschillende (micro)soorten, maar in werkelijkheid zijn het er misschien wel duizend. Allemaal net even anders. Onbegonnen werk voor de leek.
De meest algemene soorten groeien vooral op open, door grondbewerking verstoorde plaatsen waar ze door hun vroege bloei goed kunnen concurreren met snelgroeiende grassen. Weilanden die regelmatig gescheurd en opnieuw ingezaaid worden bieden dan ook volop kansen. In meer ongestoorde, natuurlijke weilanden vinden we veel minder paardenbloemen. En dan ook andere soorten. Maar waarom heet een paardenbloem eigenlijk paardenbloem, en waar komt het Nedersaksische hondebloom vandaan? Ze worden niet als paardenvoer gebruikt en nog minder als hondenvoer. Toen in 1906 de eerste lijst met Nederlandse plantennamen werd samengesteld, werd gekozen uit een veelheid van dialectnamen met een voorkeur voor namen die in het westen van het land gebruikelijk waren. Daarbij viel dus de keus op peerdenbloom, vernederlandst tot paardenbloem. Hond en paard zijn waarschijnlijk oude begrippen om aan te geven dat iets nutteloos is of op ongunstige omstandigheden duidt. Vergelijk paardenkastanje (waarvan de kastanjes niet eetbaar zijn) en hondenweer.