Gijs Wilbrink bij de Oude IJssel. Archieffoto: Roel Kleinpenning

Gijs Wilbrink bij de Oude IJssel. Archieffoto: Roel Kleinpenning

‘In het stad versus platteland gepraat zit nu het venijn dat vroeger in het woord mof zat’

Maatschappij

ACHTERHOEK - Schrijver Gijs Wilbrink brak de afgelopen jaren door als romanschrijver, hij groeide op in de Achterhoek, maar woont nu in Utrecht en beweegt zich van de ene leefwereld naar de andere. Daarover schreef hij een essay: Aan de andere kant. Wat wil hij de lezer duidelijk maken over de kloof stad-platteland? Of bestaat deze helemaal niet?

Door André Valkeman

Zijn debuutroman De beesten verscheen in 2022 en werd een instant bestseller. Sinds deze boekenweek is hij ook essayist. Ofwel: een schrijver die complexe vraagstukken of maatschappelijke problemen in een diepgaand artikel giet dat aanzet tot denken. Een interview…

Waarom moest dit essay er komen en wel nu?
“Vanwege mijn eigen ontwikkeling was dit het moment, denk ik. Ik las het al veel beschouwde boek Spookkloven van socioloog Jan Willem Duyvendak. Daarin beschrijft hij kloven in de Nederlandse maatschappij die gezien of ervaren worden. Inkomensongelijkheid, armoede als ook stad versus platteland.

In zijn analyse bekeek hij acht kloven in de samenleving. Hij aanschouwde in statistiek of die kloof in cijfers te meten was, onderzocht hoe groot de gemiddelde Nederlander dacht dat die kloof was en bekeek hoe angstig of boos men door die kloof was.

Daar kwam uit dat de kloof er soms in statistiek niet of nauwelijks was. De inkomensongelijkheid de afgelopen twintig jaar was bijvoorbeeld stabiel gebleven, terwijl het gevoel toch was bij de gemiddelde Nederlander dat die ongelijkheid in inkomens was toegenomen. Zo zat het ook bij stad versus platteland, bepleitte hij.

De kloof tussen stad en platteland was nog nooit zo groot, hoor je dan veel mensen zeggen. Hij zag precies het tegenovergestelde. Die kloof was nog nooit zo klein, als je bijvoorbeeld kijkt naar gemiddelde inkomens, huisvesting maar ook gedrag in maatschappelijke betrokkenheid.

Door dat boek ben ik scherper gaan denken over hoe we dingen ervaren in het nieuws, hoe we dingen napraten, hoe we dingen in stand houden. Alsook: mijn eigen aandeel daarin in de stad-versus-platteland-discussie.

Zo heb ik zelf de IJssel bijvoorbeeld wel eens opgevoerd als een soort magische grens in de kloof stad versus platteland, het verschil tussen het oosten van Nederland en de rest van Nederland. En daar kun je dan symbolisch of soms letterlijk allemaal conclusies aan verbinden waarvan ik zelf kritisch wilde gaan kijken van: klopt dat wel?”

In je essay beschrijf je jouw overtocht met een pontje van Brummen naar Bronkhorst over die IJssel. Een citaat: 
‘tussen Bronkhorst en Brummen zijn de oevers bijna spiegels van elkaar: ik zie aan beide kanten dezelfde boerenzwaluwen, dezelfde wachtbankjes met koperen kunstwerken, ik zie glanshaver en haagwinde, zelfs de vijfenzestigplussers die aan weerszijden op zelf meegenomen tuinstoelen naar het stromende water staren zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden’.

Een komische als ook romantische beschrijving, ik dacht wel: is deze voorstelling van de IJssel als harde grens in ‘stad versus platteland’ niet een al te binaire kinderlijke voorstelling? Jij moet wel de term periferie kennen. Is er over de IJssel niet evengoed een twilight zone, periferie, waarna het platteland definitief stopt en toch echt de Randstad begint én dus: die kloof…
“Dan zeg je iets heel wezenlijks. Ik denk dat eigenlijk iedere grens die we stellen per definitie niet binair is. Niet zo’n harde, maar zachte grens.

Dat we eigenlijk binnen Nederland nooit te maken hebben met grenzen, maar altijd met overgangsgebieden. Zelfs bij onze landsgrenzen nog. Kijk in ons Achterhoek naar Dinxperlo-Suderwick: een dorp waar de Nederlands-Duitse grens doorheen loopt. Het is één dorp waar de mens die iets oostelijker woont evengoed ons Nedersaksische dialect verstaat. De mensen zijn kopieën van elkaar daar.’’

Maar is er tussen de gebieden die jij schetst, platteland en Randstad, cultuur-historisch niet een duidelijk verschil?
“Ja, heel vroeger waren het twee gebieden, grofweg het Hertogdom van Gelre en Holland. Maar als je kijkt wie er nu in de Randstedelijke stad woont, denk ik dat misschien wel negentig procent van die inwoners zelf van het platteland komen, dan wel hun ouders. Onder meer daardoor is ook het sociaal verschil minder dan ooit, vermoed ik.

De samenlevingen die er vijf eeuwen geleden woonden zijn allang met elkaar vermengd. Veel meer dan dat die mensen echt verschillen, zijn ze hetzelfde.’’

Dus Nedersaksische streektaal is hetzelfde als Standaardnederlands.
,,Haha, nee, kats niet natuurlijk, het Nedersaksisch is véél mooier! De provincie en de Randstad hebben best een andere geschiedenis en culturele identiteit. Alleen, die wordt constant nu met de haren erbij gesleept om de ‘provincialen’ op te hitsen tegen die westerlingen, die alles zouden beslissen over hen, hun problemen op de provincie afwentelen, die zo heel anders zijn.

Dan wordt er zo’n groot verschil geschetst tussen mensen ten oosten en westen van de IJssel, dat er volgens mij niet is.”

Maar die IJssel was voor jou ooit toch de harde grens tussen stad en platteland...
“Ik bezocht een show van Daniël Lohues, die verhaalde dat als hij eenmaal de IJssel over was, er allemaal frustraties van hem afvielen. Dat er dan een beter en rustigere leven ontstond.

En dat heb ik ook wel gezegd, bijvoorbeeld in een interview met De Groene Amsterdammer. Als ik die IJssel over kom, dan merk ik dat. Veel meer dan dat er daadwerkelijk iets verandert in omgeving, boort die IJssel een gevoel aan, ontdekte ik. Dat wilde ik tonen. Het is een symbolische grens. Je gevoel verandert, de omgeving nauwelijks.

Je gaat nu naar iets waarmee je je verbonden voelt, de regenboog met de pot goud. Wat heel fijn is bij dit soort dingen, is dat je je verbonden met anderen voelt, denk ik. Het zorgt voor een bepaalde identiteit, een bepaalde taal, een bepaald gevoel. Alleen de lelijke schaduwzijde van dat wij-gevoel, is dat er ook een zij-gevoel ontstaat.’’

Wat is daar erg aan?
“Nou, ik zie de laatste jaren dat het wij-zij-gevoel op de spits wordt gedreven. Door exponenten als de BBB en de Farmers Defence Force. Ik heb nationalisme altijd al iets heel engs gevonden, maar ik vond vroeger regionalisme altijd wel schattig. Dat heb ik de laatste tijd niet meer.’’

Heb je het dan bijvoorbeeld over het verbranden van afval op Randstedelijke snelwegen en het blokkeren met trekkers van snelwegen als protest tegen de macht en het westen? 
“Ja, bijvoorbeeld. Dat zijn hele lelijke uitwassen, uitwassen luider dan ooit. In het stad versus platteland-gepraat en in het woord ‘westerling’ zit nu het venijn dat vroeger in het woord ‘mof’ zat.”

Meestal zit het hoogtepunt van een essay zo’n beetje op driekwart. Ben je het daar mee eens? Dat je denkt: wat wil de schrijver mij vertellen? 
“Zou kunnen.”

Jij gebruikt in je tekst 26 vraagtekens, waarvan 9 in dit gedeelte. Je hebt best vaak essays met een duidelijke stelling. Jij zet geen uitroeptekens maar stelt vragen. 
“Je hebt gelijk ja. Ik houd helemaal niet van dat soort alwetende essays. Een essay zou juist vragen moeten oproepen. Ik houd ook niet van boeken die mij iets komen vertellen. Ik houd echt van boeken die zich iets afvragen. Dat doe ik hier ook.”

Wat ik dan wel denk, hoe ik achter blijf: Maar wat vindt Gijs Wilbrink nou dan echt? Is die kloof er dan wel of niet? 
“Dat is juist de vraag waar ik een beetje voorbij wil gaan.”

Dat dacht ik door te hebben...
“Goed. Laten we aannemen dat die kloof er is, want we hebben het er immers over. Maar ik hoop dat mensen na het lezen zelf gaan nadenken: hoe groot is die kloof daadwerkelijk. Is-ie zo groot, of maken we hem zo groot? Verschillen we zo, of valt het reuze mee.”