Vanuit de hoogte

Gezeten op de trans van de Jacobskerk kijkt hij vanuit de hoogte neer op ons, armzalige stumperds die met beide benen aan de grond gekluisterd zijn. Maar het gewriemel op de markt beneden boeit hem niet in het minst. Zijn aandacht gaat naar heel wat anders uit. Met zijn scherpe ogen tuurt hij het luchtruim af naar een verlate postduif of een verdwaalde kraai. Zodra hij een slachtoffer ontwaart, duikt hij er met een ijzingwekkende snelheid - tot wel 200 kilometer per uur - op af om met zijn vlijmscherpe klauwen het leven eruit te persen. Terwijl beneden hem Vietnamese loempia's en kibbelingen worden genuttigd, doet hij zich - teruggekeerd van zijn jachtvlucht - te goed aan versgevangen biologisch vogelvlees.
Ik heb het over de slechtvalk. Een vogel die maar weinigen zullen hebben opgemerkt, maar die desondanks heel frequent ons dorp bezoekt. Soms zie je hem op hoge snelheid voorbij scheren, maar veel groter is de kans dat je hem ziet op een van de hoge gebouwen die Winterswijk rijk is: de Jacobskerk, Jacobuskerk, de schoorsteen van de Tricot of de voormalige watertoren. Broeden doen ze er tot nog toe niet, maar de toren van de Werenfrieduskerk in Zieuwent biedt regelmatig onderdak aan een paartje dat interesse lijkt te vertonen. De slechtvalken die Winterswijk aandoen zullen dus elders broeden of (in najaar en winter) afkomstig zijn uit Scandinavië en andere noordelijke streken.
Het zijn geboren vliegers die er niet voor terugdeinzen vele honderden kilometers af te leggen. 's Morgens op de Martinitoren in Groningen of de Lange Jan in Middelburg en 's middags op de Jacobskerk in Winterswijk; het zou zomaar kunnen.
Slechtvalken horen thuis in het rijtje kraanvogel en oehoe. Alle drie forse jongens die pas in recente tijd ons land (én Winterswijk) hebben ontdekt. Voor de eeuwwisseling kwamen ze nauwelijks in Nederland voor. Daarna kregen ze de wind in de rug. De laatste jaren broeden er zo'n tweehonderd broedpaartjes in ons land. In de wintermaanden kan hun aantal oplopen tot wel zeshonderd.
Slechtvalken danken hun naam niet aan hun ‘slechte' gedrag, het jagen op vogels (al denken duivenmelkers daar misschien anders over) en ook niet - wat weleens gedacht wordt aan de oude betekenis ‘gewoon' van het woord slecht. Want gewoon (algemeen) waren ze nooit. Waarschijnlijker is dat slecht verwant is aan slechten (vergelijk slachten) en daarmee verwijst naar hun gedrag prooien in een oogwenk met de grond gelijk te maken, te vernietigen.
Een slechtvalk herkennen is niet heel moeilijk, het vergt wel wat geluk en geduld, met mogelijk een stijve nek als bijvangst. Tuur gewoon regelmatig de al genoemde hoge gebouwen af. Soms zit er daar een in z'n eentje, soms zijn ze met zijn tweeën.
Hoewel slechtvalken heel wat mans zijn en zelfs ganzen weten te verschalken, moeten ze op hun hoede zijn voor die andere nieuwkomer, de oehoe. Een vondst van een slechtvalkenring (afkomstig uit Duitsland, 100 km. verderop) op een Winterswijks oehoenest vormde daarvoor het onomstotelijke bewijs. Kraanvogels hebben beide tot op heden ongemoeid gelaten … voor zover bekend.