
Het vijfde deeltje uit de Erfgoedreeks Winterswijk is verschenen: ’t Greun van Wenters
NatuurWINTERSWIJK - Appels en peren kent iedereen. Velen weten ook dat er zoiets als oude rassen bestaan, zoals de Notarisappel of de Jutte peer. Maar dat de oorspronkelijke wilde appel en wilde peer nog steeds in Winterswijkse bossen en houtwallen zijn te vinden, is minder bekend. Dat maakt Winterswijk uniek. Hun (genetische) geschiedenis gaat duizenden jaren terug.
Door Ronald van Harxen
Mocht je ernaar op zoek willen met het beeld van de hedendaagse appel en peer in je hoofd, kom je echter bedrogen uit. Wilde appels lijken maar weinig op de glanzende, vuistgrote cultuurappels die je bij de groenteboer of op de markt kunt krijgen. Met gemak passen er een tiental in twee gevouwen handen, zo klein zijn ze. Een autochtone peer is niet eens peervormig, eerder rond en heeft een maximale doorsnee van drie centimeter.
Dit, en nog veel meer, valt te lezen in ’t Greun van Wenters, het vijfde deeltje in de Erfgoedreeks Winterswijk. Het is geschreven door kenner van inheemse bomen en struiken Bert Maes, ecoloog en plaatsgenoot Jan Stronks en historisch geograaf Luuk Keunen (RAAP). Luuk Keunen: “Winterswijk is een van de weinige regio’s in Nederland waar nog een behoorlijke variatie aan inheemse bomen en struiken te vinden is. Behalve aan de wilde appel en peer moet je dan denken aan taxus, jeneverbes, wilde rozen zoals de hondsroos, en nog een dozijn andere soorten. Het genenmateriaal van deze bomen is herleidbaar tot direct na de laatste ijstijd toen met het warmer worden van het klimaat vele bomen en struiken vanuit het zuiden van Europa zich geleidelijk aan noordwaarts verspreiden.”
Joyce Ras, beleidsmedewerker erfgoed van de gemeente Winterwijk en betrokken bij de reeks, vult aan: “Een boekje daarover past dus zeker in de erfgoedreeks. We willen die kennis graag verspreiden en hopen dat inwoners van Winterswijk het gevoel erbij krijgen hoe bijzonder dat is. Winterswijk staat gelukkig vol met bomen en struiken. De meeste daarvan zijn echter opgekweekt en vermengd met genenmateriaal dat van elders afkomstig is. Slechts een klein deel is inheems, misschien zo’n zes procent. Aan de buitenkant is het verschil voor niet-kenners vaak maar moeilijk te zien. Maar als je in het museum voor een Rembrandt of een Van Gogh staat, ga je ook voor het origineel en niet voor een reproductie, hoe goed nageschilderd ook.”
“Winterswijk kent van oudsher een landschap met veel groen. Veel is daarvan bewaard gebleven doordat in een groot deel van de gemeente geen (ingrijpende) ruilverkaveling is geweest. Er zijn relatief veel oude houtwallen en boskernen en ook de beken vormen een belangrijk ecosystemen voor inheemse bomen en struiken”, vult Luuk aan. “Het is belangrijk dat de genetische diversiteit die deze in zich dragen behouden blijft. Deze natuurlijke variëteiten zijn optimaal aangepast aan de lokale omstandigheden en zijn waardevol bij natuur- en landschapsherstel.” Joyce vult aan: “Gelukkig zien we in toenemende mate dat bijvoorbeeld landschapsarchitecten die betrokken zijn bij de herinrichting van landgoederen hier oog voor hebben. Boseigenaren en particulieren kunnen het verschil maken.”
Luuk: “Er komen steeds meer kwekers die inheems materiaal aanbieden, ook als het om doodnormale bomen als eiken, lindes of haagbeuken gaat. We hopen dat dit boekje mensen stimuleert voor een houtsingel of erfaanplant hiervan gebruik te maken.”
Het boekje is een gezamenlijke uitgave van de gemeente Winterswijk, RAAP en de Vereniging Monumentenbelangen Winterswijk. Het wordt 24 september aangeboden aan wethouder Gosse Visser en is daarna bij de lokale boekhandel te koop.
