De middelste bonte specht. Foto: Jan Stronks

De middelste bonte specht. Foto: Jan Stronks

Middelste bonte specht komt steeds vaker voor in Winterswijk

Natuur

WINTERSWIJK - De grote bonte specht kennen veel mensen wel en ook de kleine uitvoering ervan zal menigeen wel eens gezien hebben. Maar dat er ook een tussenvariant bestaat die – hoe kan het ook anders – middelste bonte specht heet, zal niet iedereen weten. Sinds het begin van deze eeuw komen ze (weer) in Winterswijk voor en inmiddels is de populatie gegroeid naar bijna 250 broedparen. Jan Rademaker van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek heeft de soort vanaf het prille begin gevolgd. 

Door Ronald van Harxen

Jan: “Binnen de vogelwerkgroep ben ik altijd de ‘bosvogelman’ geweest en toen er geluiden kwamen uit Twente en Zuid-Limburg dat de soort zich daar gevestigd had en zich aan het uitbreiden was, hebben we met een aantal mensen de Winterswijkse bossen uitgekamd. Aanvankelijk troffen we alleen roepende dieren, maar in 2008 telden we vier paartjes met samen twaalf jongen.” Vanaf dat moment ging het hard. In 2016 werd de honderd broedparen gepasseerd, en vier jaar later de tweehonderd. Jan: “Sindsdien lijkt de populatie zich enigszins te stabiliseren met rond de 230 broedparen. In de beginjaren werden vooral de grote oude loofboscomplexen bezet, later volgden ook de kleinere bossen en ten slotte ook houtwallen.”

Middelste bonte spechten zijn van hun ‘grote broer’ te onderscheiden aan het rode petje dat over het voorhoofd doorloopt. Grote bonte hebben alleen op het achterhoofd een rode vlek. Kleine bonte hebben weliswaar ook een rood petje, maar minder ver doorlopend. Bovendien zijn ze een stuk kleiner. Ook hun flets rozerode onderbuik onderscheidt ze (grote bonte helderrood). Jan: ”Het beste zijn ze echter te herkennen aan hun gaaiachtige geluid ‘gjaa-gjaa-gjaa …’. Daarmee bakenen ze hun territorium af en lokken ze een vrouwtje. Roffelen doen ze stukken minder dan beide andere soorten, en ook zachter. Het schijnt dat hun snavel minder hard is dan die van veelvuldig roffelende spechten als de grote bonte.”

Middelste bonte spechten zijn echte ‘peuteraars’ weet Jan. Ze peuteren graag allerlei insecten uit de ruwe schors van bomen. Daarom zijn zomereiken zo in trek, in tegenstelling tot bijvoorbeeld beuken of Amerikaanse eiken die een veel gladdere bast hebben. “Wat ook een rol speelt” vult Jan aan, “is dat veel eiken overwoekerd zijn met klimop. Dat trekt niet alleen massa’s insecten aan, ook de bessen vallen zeer in de smaak bij ‘mibo’s’. Dat is mede een reden waarom we ze ook in brede houtwallen aantreffen.”

Gevraagd naar de oorzaak van de enorme toename in amper twintig jaar, antwoord Jan: “Het begint ermee dat ze het in hun oorspronkelijk leefgebied goed doen en veel jongen groot brengen. Die moeten op zoek naar een eigen plek en zwermen uit. Niet ver Duitsland in komt de soort meer voor en waarschijnlijk hebben ze vandaaruit Winterswijk bereikt, al dan niet met Twente als tussenstation. In Winterswijk hebben we betrekkelijk veel oude loofbossen als ’t Rot, Aarnink en het Stemerdinkbos. Vroeger werden daar dode bomen uit het bos verwijderd, nu blijven ze staan en vallen ten slotte om. Dat maakte ze geschikt. Niet alleen spechten profiteren daarvan, maar ook andere nieuwkomers als de kortsnavelboomkruiper. Wat dat betreft hebben we mazzel in Winterswijk, steeds meer geschikt oud loofbos en dichtbij de Duitse grens.”

De middelste bonte specht. Foto: Jan Stronks