Bevrijding

Er is in de afgelopen vijftig jaar bijna geen visite voorbij­gegaan of er werd wel gepraat over de oorlog en over de bevrij­ding. Teminste, als er mensen bij waren die het hadden meegemaakt. Want die zijn er nog zo vol van dat ze er steeds weer over moeten praten. Een teken dat deze tijd een over­weldigende indruk op de mensen heeft gemaakt. Ook op mij. Het was een enorme belevenis en zeker voor een jongen van negentien jaar.

In Winterswijk was het groot feest. Iedereen zag iedereen weer en het was net zo druk als nu met het volksfeest. Op de Wooldseweg, bij Wamelink stonden de mensen zich rijen­dik te vergapen aan het militaire verkeer. De soldaten boven op de tanks wierpen ons snoepjes toe. De kleine kinderen staken er eerst geen hand naar uit; wisten niet wat het waren. De Graosbrugge, nabij Den Helder, was in de lucht gevlogen. Maar er lag al een nieuwe; en wat voor één. Een onafgebroken stoet van militair materieel trok er overheen. 

Op weg terug naar huis stonden we er met de neus bovenop hoe twee Engelse soldaten een paar landmijnen uit de grond peuterden. Er was al iemand overheen gefietst, dat was duidelijk te zien. Maar die fietser had geluk gehad. De mijnen waren bedoeld voor zware voer­tuigen. De soldaten gooiden de mijnen achteloos in het bos en hingen er een paar witte linten om­heen. 

De andere dag gingen we naar het Woold om daar eens te kijken "want daor hef ‘t der slim heer egaone", zoals de mensen zeiden. Toen we daar aankwamen werden we wel een beetje stil en van onze jubelstemming bleef niet veel over. “Gossiemikkie, Wat ’n spil”. 

Langs de weg lag het vol stukgeschoten tanks. Sommigen smeulden nog. Achter een wal waren verse graven. Daar waren omgekomen Duitsers begraven. Een eindje verderop nog meer graven. Een boerderij en een schuur waren verbrand. Het vee lag er nog in; het had de brand niet overleefd. Overal rondom de huizen zware sporen van tanks en lege granaathulzen lagen overal. Verder rondom de huizen een onbeschrijfelijke rotzooi van kapotte dakpannen, kapot glas, afgebroken takken en gaten van ingeslagen granaten. Een Duitse helm lag nog ergens in de berm en overal lagen nog geweren, munitie en ander militaire zaken. In de wei hoopjes losges­neden kleding. Het was de gewonden letterlijk van het lijf geknipt. De gewonden zelf waren natuurlijk door de Engelse Rode Kruis­soldaten weggebracht. Stil fietsten wij op onze stukken autoband naar huis. 

? Ja, we waren bevrijd! Maar sommigen hadden er duur voor moeten betalen. En dit was nog maar alleen hier in de buurt, waar het, volgens de Engelse soldaten, alleen maar “een schermutseling” was geweest. Wat was er verderop in de regio allemaal gebeurd?

. Ja, natuurlijk wij waren bevrijd van de angst, bevrijd van de willekeur en van de rechteloosheid. Maar als ik nu, 58 jaar later, naar de televisie kijk, dan merk ik dat we vooral zijn bevrijd van onze eigen oorlogshysterie. We vinden het gelukkig weer onbegrijpelijk dat men elkaar in Irak, Tsjet­sjenië of in Bosnië of waar ook ter wereld zo kan bestrijden. “Hebben die mensen geen verstand?”, zeggen we nou weer. 

En wij zelf destijds? We stonden grinnikend te kijken naar het brandende Bocholt, de zon werd verduisterd door de dikke rookwolken. Halfverbrandde bijbelbladzijden, bonkaarten en ander papier dwarrelden bij ons in de wei neer.
We hadden ons toch af moeten vragen wat er allemaal gebeurd was voordat de halfverbrandde bonkaart bij ons in de weide neerkwamen. Maar nee, we grijnsden en zeiden tegen elkaar: "Dat deut dee verrekte rot-Pruus­sen net good..."
Alleen in al Bocholt 452 doden en wij grinnik­ten er om. Wat een waan­zin.