Foto: Jan Stronks
Foto: Jan Stronks

Steeds meer meerkoeten

Natuur

WINTERSWIJK/AALTEN/OOST GELRE - Bij watervogels denken velen direct aan wilde eenden of halftamme boereneenden. Logisch, want eendjes voeren staat nog steeds hoog op de to do lijst van opa’s en oma’s. Toch is er één soort die minstens zo tot de verbeelding zou moeten spreken: de meerkoet. Formaat eend, maar kogelrond en met een dofzwart verenkleed. Van verre zijn te herkennen aan de witte snavel en de over de snavel doorlopende witte bles op het voorhoofd. Hun gedrag is niet onbesproken. Zie je twee watervogels als razende op elkaar inhakken of verwoed achter elkaar aan jagen, tien tegen één dat het dan meerkoeten zijn. Ze houden er een territorium op na dat ze hartstochtelijk verdedigen tegen soortgenoten en andere indringers. En daarbij vallen er soms spaanders.

Door Ronald van Harxen

Hij was er net niet bij – Robert Kwak - toen in december 1973 een aantal fanatieke, jonge vogelaars de Vogelwerkgroep Winterswijk oprichtte, later omgedoopt tot Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek. In februari van het jaar daarop meldde hij zich als lid, met als speciale interesse watervogels. Die had je toen in Winterswijk nog niet veel. Uitzondering vormden de ijsvogel en de grote gele kwikstaart, beide karakteristieke soorten die voorkomen bij natuurlijke beken. Daar stortte hij zich toen op. Robert: “Meerkoeten schreef ik ook maar op. Kostte weinig moeite want je liep toch langs de beken. Toen ze toe begonnen te nemen werd het spannend. Waar zou de bovengrens liggen, vijftig of misschien wel honderd? En dan blijf je tellen, jaar in jaar uit. Het leverde bovendien leuke ‘bijproducten’ op als kuifeenden en dodaarzen, soorten die ook begonnen toe te nemen.”

In maart 2024 vierde de werkgroep haar 50-jarig bestaan. In de tussenliggende periode is een onvoorstelbaar grote hoeveelheid gegevens verzameld over de ontwikkelingen in de vogelstand in Winterswijk, Aalten en Lichtenvoorde. Niet alleen het verzamelen en vastleggen daarvan is een megaklus, maar zeker ook het uitwerken en het publiceren van verzamelde gegevens. En dat is waar de vogelwerkgroep al enkele jaren mee bezig is, Robert in het bijzonder. Het is de bedoeling dat een boek dat alle gegevens samenvat – misschien worden het er wel twee – over niet al te lange tijd het levenslicht ziet. Uiteraard krijgt de meerkoet uitgebreide aandacht, niet speciaal vanwege zijn uiterlijk of gedrag, maar vooral vanwege zijn spectaculaire aantalstoename in de afgelopen vijftig jaar.

Robert: “In het begin van de jaren 70 telden we hooguit een paartje of tien. Ze zaten toen vooral in het Korenburgerveen en rond het Hilgelo, dat enkele jaren daarvoor was gegraven. In de wintermaanden waren ze wat algemener. Toen later de Twenteroute en de Hamelandroute werden aangelegd en ook daarvoor zand nodig was, wisten ze ook de Besselinkschansplas bij Lievelde snel te vinden. Dat gold ook voor de Slingeplas bij Bredevoort en de kleigroeve op de Vlijt.” In de jaren daarna namen ze spectaculair toe naar meer dan honderd halverwege de jaren 90. In 2014 werd de vijfhonderd aangetikt en vorig jaar later stopte de teller pas bij de achthonderd. Van tien naar achthonderd in 50 jaar. Robert: “Dan mag je gerust van een succesnummer spreken, niet veel soorten doen hem dat na. Ze hebben flink weten te profiteren van het rechttrekken van beken als de Groenlose Slinge, de Beurzerbeek en ook de Boven-Slinge in Miste en verder naar Aalten in de jaren 60 en 70. Aanvankelijk trouwens niet, want de oevers werden in het begin te vaak en te rigoureus gemaaid. Pas toen het waterschap een meer natuurvriendelijk beheer ging voeren, ontstonden er kansen. Later kwam daar natuurontwikkeling bij met veel ruimte voor grote waterpartijen. En vergeet al die particuliere poelen en vijvers in het buitengebied niet.”

Behalve bovengenoemde oorzaken speelt ook de aard van het beestje zelf een rol. Robert: “Meerkoeten zijn voornamelijk vegetariër die hun voedsel deels duikend zoeken. Bovendien zijn het opportunisten. Ik heb ooit gezien hoe er een ‘n Amerikaans rivierkreeft naar binnen werkte. Voedsel is eigenlijk nooit een probleem. Gras lusten ze ook, zeker het eiwitrijke gras van tegenwoordig. Daar profiteren niet alleen boeren en koeien van, maar ook meerkoeten en ganzen bijvoorbeeld. Met de klimaatverandering van de afgelopen decennia groeit gras zelfs in de winter door, dat heeft zeker ook tot een hogere winteroverleving onder meerkoeten geleid. Daarnaast kunnen meerkoeten meerdere keren per jaar een nest jongen grootbrengen. Met vijf tot tien jongen per broedsel kan het dan hard gaan.”

Het jaarlijks tellen van alle meerkoeten wordt een steeds grotere uitdaging. Gelukkig kan hij daarbij rekenen op de andere werkgroepleden die elke broedende meerkoet die ze tegenkomen aan Robert doorgeven. Meerkoeten zijn bovendien niet schuw en doen niet hun uiterste best om hun nest te verbergen. En mochten ze zich een keer aan het zicht onttrekken, dan verraden ze zich wel door kenmerkende roepjes. Die van de vrouwen klinkt als een toeterende Citroën 2CV en die van de mannen als een explosief PT!. Zelfs ’s nachts houden ze hun snavel niet.

Robert: “Je zou in zekere zin kunnen zeggen dat de toename van de meerkoet tekenend is voor de teloorgang van het oude cultuurlandschap met het recht trekken van de beken als een van de dieptepunten. Immers, in de natuurlijke, meanderende beken komt de soort niet voor, maar des te meer in de brede, kaarsrechte kanalen die er deels voor in de plaats kwamen. Maar dan doe je de ontwikkelingen toch te kort. Als vogelwerkgroep hebben we de draad pas halverwege de jaren 70 opgepikt, toen de grootste veranderingen in het landschap al hadden plaatsgevonden. Hoeveel meerkoeten er bijvoorbeeld in de jaren 50 voorkwamen, weten we niet. Het was overal veel natter toen en wie weet broedden er wel meerkoeten in de grote watervoerende sloten en weidepoelen of in de randzone van de venen. Tegenwoordige natuurontwikkeling die gericht is op het terugbrengen naar een vroegere toestand brengt vaak ook vernatting met zich mee. Daar reageert de meerkoet positief op.”

Gaan we nog een keer de duizend broedparen aantikken? “Robert: “Moeilijk te voorspellen. We zien dat bepaalde beektrajecten door boomaanplant veranderen in bosbeken. Voor meerkoeten is dat geen gunstige ontwikkeling, die hebben open water nodig. Aan de andere kant zien we ook natuurontwikkeling die nieuwe kansen biedt. Ach, of het er nu achthonderd blijven of duizend worden, het blijft gewoon boeiend om te zien hoe de vogels reageren op veranderingen in het landschap. En tellen blijven we sowieso doen, tot de laatste snik.”

Dit is het eerste van een serie artikelen over ontwikkelingen in de Winterswijkse, Aaltense en Oost Gelrese vogelstand, vooruitlopend op het verschijnen van de Avifauna van de Zuidoost-Achterhoek.

Foto: Jan Stronks
Robert kwak telt onder andere meerkoeten. Foto: Ronald van Harxen