Nöthèèze

Iedereen heeft weleens gehoord van een laatbloeier. Zelf ben ik er ook een als het op schrijven aankomt. Ook het begrip naaktloper zal menigeen bekend voorkomen. Of ik er zelf een ben, laat beter even in het ongewisse. Maar bij het begrip naaktbloeier zullen de meesten de wenkbrauwen wel fronsen, verwacht ik. Toch is het nu gemakkelijk er een te zien. Bosranden en ook parken en tuinen staan er vol mee. Ik heb het over de hazelaar, of de nöthèèze1 in goed Winterswijks. Hij heet een naaktbloeier te zijn omdat de mannelijke bloeiwijze (de katjes) eerder verschijnen dan de bladeren. Hij hangt dus een tijdje in zijn blootje aan de boom.

Nu is boom eigenlijk te veel gezegd, hazelaars vormen zelden een hoofdstam, waardoor je ze beter struiken kunt noemen. Hazelaars behoren tot de vroegste bloeiers die we kennen. De mannelijke bloeiwijzen ontluiken al in februari, in zachte winters soms in januari. (Best wel koud om dan naakt buiten te hangen, dunkt me.) Ze lijken oppervlakkig op de katjes van berken en wilgen, maar je kunt ze gemakkelijk herkennen aan hun lengte en hun hangende levenswijze aan verder kale takken. O ja, de vrouwelijke bloemen zijn klein en niet bijzonder indrukwekkend, maar leveren uiteraard wel de smakelijk hazelnoten.
Vogels zijn dol op hazelnoten, al zijn ze door hun harde doppen niet voor elke soort even gemakkelijk te kraken. Notenkrakers zijn er uitermate bedreven in, maar die zie je hier maar zelden. Gaaien kunnen er ook goed mee overweg, al is het wel een kunst precies op het splijtpunt, de enigszins spits toelopende bovenkant in te hakken. Mis je die, dan springt de noot alle kanten op. Boomklevers en spechten beheersen het kunstje ook, maar zij hebben de ruwe schors van een boom nodig om de noot in vast te klemmen. Om die reden vind je vaker hazelnoten onder eiken dan onder beuken. Bosmuizen daarentegen lijken gemaakt om noten te kraken. Met hun scherpe voortanden kost het ze weinig moeite een nootje te schillen.
Om een van de slimste notenkrakers te vinden moet je wel een loep meenemen: de hazelnootboorder - een (snuit)kever - is namelijk amper een centimeter groot. Wie niet sterk is, moet slim zijn. Met zijn enigszins onhandig aandoende snuit - de helft van zijn lichaamslengte - boort het vrouwtje een gaatje in de noot voordat deze uitgehard is. Vervolgens zet ze een van haar eieren af in de ontstane holte. De larve die na enige tijd uit het ei kruipt, doet zich te goed aan het vruchtvlees van de noot. Als hij uitgegeten is, knaagt hij zich een weg naar buiten om zich de in de bosbodem te verschansen en in de volgende zomer te verpoppen.
Hazelaar - hazelnoot - hazelnootpasta, van 't een komt het ander. Hazelnoten zijn bijzonder voedzaam, toch vind je maar zelden in de schappen. De pastavorm des te meer, lekker smeuïg voor op de boterham. Even een potje uitlepelen en je hebt genoeg calorieën voor een hele dag. Ik heb altijd een voorraadje in de kelder staan, je weet wel, voor het geval dat. Een stuk smakelijker dan een standaard noodrantsoen, een nootrantsoen.

[1] G.H. Deunk en H. Entjes. 1971. Het dialect van Winterswijk. Deel 1. Woordenboek van het Winterswijks