Het zwart-witte gajesgilde
Gajes, worden ze wel genoemd, geteisem, geboefte: de leden van de kraaienfamilie. Dan hebben we het vooral over zwarte kraaien, kauwen, eksters en gaaien. Nietsontziende rovers en kindermoordenaars zijn het, die er niet voor terugdeinzen hulpeloze koolmezenjonkies uit hun nest te sleuren of net zo lang in te hakken op een jong haasje dat moederziel alleen in een hoekje in wei zit, totdat het een langzame gruweldood sterft. Klopt, dat doen ze. Dat ze ook onze rotzooi opruimen die we in bermen en parken achterlaten, door onze auto’s doodgereden egels en duiven van de straat plukken en meehelpen emelten en engerlingen te bestrijden, vergeten we dan gemakshalve maar even. De natuur indelen in nuttig en schadelijk zit nog blijkbaar stevig in onze genen ingebakken. Het is of zwart, of wit. Iets er tussenin lijkt er niet te zijn. Behalve dan de ekster. Als er een vogel is die zwart en wit in zich verenigt, dan is het wel de ekster. Kijk hem maar eens goed aan.
In deze tijd van het jaar beginnen ze langzaam hun nesten van vorig jaar weer op te zoeken. Je ziet ze regelmatig al zitten naast of boven een soms wanordelijke bos takken in een nog kale boom. De boom hoeft niet per se hoog te zijn, maar het nest zit vaak wel in de bovenste helft. Ze houden een oogje in het zeil. Niet zelden immers wordt een nest door een luie soortgenoot geplunderd of gekraakt. Niet dat zo’n nest uit een vorig jaar zo maar weer opnieuw gebruikt kan worden; een opknapbeurt of soms een complete renovatie is altijd wel nodig. Herfststormen en winters weer hebben hun sporen nagelaten. Opknappen is echter in de meeste gevallen minder tijdrovend dan helemaal opnieuw beginnen. Handig zijn ze: ze hebben een voorkeur voor verse takken die ze zelf uit bomen en struiken breken. Een pas gevormd stel moet uiteraard eerst zelf de fundering leggen.
Het hele dorp zit tegenwoordig vol met eksternesten. Loop maar eens rond en kijk de toppen van bomen af. Vaak tref je meerdere nesten bij elkaar. Die behoren toe aan een en hetzelfde broedpaartje. Uiteindelijk kiezen ze er een uit om de eieren in te leggen. De andere wordt gebruikt om wat op te ravotten of als bewaarplaats voor reservetakken. Vroeger was dat anders, toen vond je eksters vooral in het buitengebied, in bossen en houtwallen. Meer en meer hebben ze echter de bescherming van de mens opgezocht, op boerenerven en in parken, begraafplaatsen en zelfs in tuinen. Bovendien hebben ze ontdekt dat wij mensen nogal slordig met ons eten omgaan en dat het bijvoorbeeld in de buurt van een snackbar makkelijk scoren is. Zeker op de vroege zondagochtend. Dat het eerst in iemand anders zijn maag heeft gezeten vinden ze geen probleem. Ook rondom de Jacobskerk is het goed toeven, zeker als het net markt is geweest.
De volgende keer dat u een ekster hel en verdoemenis toewenst, denk dan niet alleen aan dat zwart, maar ook eens aan het wit. Ze zijn het niet voor niets!