Herfst
De bladeren vallen, vallen van ver,
alsof in de hemel verre bomen verwelkten
ze vallen met ontkennende gebaren.
De dichter Rainer Maria Rilke schreef deze woorden op 11 september 1902, aan het begin van de herfst. Overal vandaan komen de bladeren, zelfs in de hemel lijkt het herfst. Niet alleen ziet hij hoe de natuur een stapje terugdoet en de bomen hun bladeren laten vallen, hij beschrijft met deze beelden ook hoe mensen achteruit gaan en uiteindelijk zullen sterven.
Ontkennende gebaren. Die kennen we. Als ik nu de rollator pak, wat zullen ze buren dan wel niet zeggen. Of ... ik ben toch nog te goed om naar een verzorgingshuis te gaan. Ik red mezelf nog. Erkennen dat je achteruit gaat, dat je niet meer kunt fietsen, lopen, dat je ogen niet zo best meer zijn, dat het handwerken of het lezen niet meer wil, is moeilijk. Laten we de dingen zo lang mogelijk ontkennen, niet bij name noemen, dan zijn ze er ook niet.
Maar hoe groot kan ook niet de opluchting zijn, als onze gebrekkige kant, de kant die steeds iets meer achteruit gaat, er ook mag zijn, gezien wordt. Ik hoef niet meer te doen alsof. “Wij allen vallen”, schrijft Rilke, “ook deze hand valt.” Is het een troost te weten dat je niet de enige bent? Wordt het daarmee gemakkelijker? Misschien wel. Je kunt steun van elkaar ondervinden en ervaringen met elkaar delen.
De herfst. Je kunt er ook anders naar kijken dan alleen in woorden van verval. Prachtige kleuren tooien de bomen. De bladeren hebben al heel wat stormen doorstaan en zijn daar sterker uit gekomen. De herfst heeft zijn eigen onmisbare schoonheid. Zo kun je ook naar de ouderdom kijken.
Het gedicht van Rilke eindigt verrassend en troostvol. “Eén is er, die al dit vallen oneindig zacht in zijn handen houdt.”