
‘Ik denk nu: ik kan ook niks’
Veur de DraodACHTERHOEK - In Veur de Draod beantwoorden Bekende Achterhoekers stellingen. Wie antwoordt legt zijn ziel bloot. Vandaag Anneloes Timmerije (1955), ze schrijft zowel fictie als non-fictie boeken en werd onder meer bekend door haar boek De mannen van Maria.
Door André Valkeman
1) Mijn mentale bui is:
“Rustig en in mezelf gekeerd. Ik ben net aan een nieuw boek begonnen, dan heb ik stilte nodig. Hier in het bos, met mijn hond naast me, is het dan goed toeven. Daar hoor ik, als ik geluk heb, flarden van zinnen, halve of hele ideeën die ik soms wel en soms niet kan gebruiken. Bij ieder nieuw boek denk ik: ik kan het niet, ik zal het nooit kunnen, ik kan ook niks - wat doe ik hier eigenlijk? Dat gaat over, en dan kan ik aan het werk. Zelfs nu ik ouder ben en meer ervaring heb, blijft die twijfel. Misschien handig als ik dat gewoon accepteer.”
2) Ik lijk het meest op ‘mien va/mo’:
“Volgens mijn Indische moeder lijk ik op mijn vader. Volgens mijn Lochemse vader lijk ik op mijn moeder. Ik ben, in de taal van mijn moeder, een echte tjampoer: een mengelmoes. Mijn vader nam mij al heel jong mee in de wereld van de muziek, mijn moeder was de creatieve geest. Wat zij vond in tekenen en schilderen, vond ik later in woorden. De laatste maanden van hun leven woonden zij in Almen, op de Ehze. Ze leden aan dementie, maar konden nog wel genieten. Mijn moeder dacht dat ze weer in Indië was, door al het groen om haar heen, mijn vader hoorde de taal van de verzorgers en sprak spontaan weer Lochems. Zij overleden eind 2016, elf dagen na elkaar.”
3) Mijn grootste angst in het leven is:
“Oorlog. Ik kon niet stoppen met kijken, die nacht van 9 november 1989. CNN was destijds de enige zender die 24-uur per dag uitzond. We zagen de Muur vallen en ik dacht: nu komt er nooit meer oorlog. Naïef natuurlijk, maar ik was niet de enige.”
4) Na de dood is er:
“Niets.”
5) Bij oorlog zit ik natuurlijk net als mijn grootvader in het verzet:
“Ik hoop dat ik, als er oorlog komt, net zo moedig kan zijn als mijn grootvader. Bij Johan Timmerije in zijn Amsterdamse kelder stond een stencilmachine tegen een muur waarop een deel van de illegale verzetskrant Het Parool werd vervaardigd. Achter die muur woonden joodse onderduikers. Hij deed wat hij moest doen met gevaar voor eigen leven.
Mijn moeder kwam in 1946 uit toenmalig Nederlands-Indië naar Nederland, met op haar heup mijn halfbroer. Haar eerste man, met zijn joods-Russische familie gevlucht voor Stalin, had het kamp niet overleefd. In Amsterdam vonden sommige mensen dat mijn moeder niet hoefde te zitten in de tram, want ze was maar een Indo.
De oorlog van mijn ouders is verweven met mijn leven, al spraken zij er zelden over. Woorden als ‘Jap’ en ‘Mof’ waren verboden bij ons thuis. Niet schelden, maar vooruitkijken. En begrip hebben voor anderen, ook al is dat soms moeilijk. Zo luidden de lessen.”
6) Ik kan buiten de
Achterhoek wonen:
“Ik ben geboren in Amsterdam en getogen in Leiden. Op eigen benen woonde ik in Amsterdam, Den Haag en Frankrijk. Wij waren de Randstad zat en vonden een huis en een thuis in de Achterhoek. Voor het eerst in zestig jaar hoefde ik mijn achternaam niet meer te spellen - wat een verademing. En kon ik weer naar Bakker, waar opa zijn Amsterdamse kleinkinderen vaak mee naartoe nam. En daar riepen wij in koor, onder zijn leiding: In Vord’n ku’j wat word’n!”
7) De mens is monogaam:
“Nee, het is religieuze en sociale conventie. Monogamie is een keuze. Ik ben sinds oktober 1980 met dezelfde man. Ik wíl geen ander.”
8) Hierom huilde ik voor het laatst:
“Het gebeurde 23 maart in de Gudulakerk in Lochem. Bijna vijftig jaar lang ging ik met mijn vader naar de Matthäus Passion. We zagen en hoorden heel veel verschillende uitvoeringen samen. Nu ga ik alleen en tóch krijgt hij het voor elkaar om naast me te zitten; gezichten te trekken die ‘mooi’ of ‘goed’ of ‘onzuiver’ betekenen. Dan voel ik een grijns op mijn gezicht. Toen het koor Wenn ich einmal soll scheiden, So scheide nicht von mir zong, moest ik huilen want ik miste hem ineens heel erg.”
9) Mensen met een accent zijn:
“Een rijkdom voor de taal. Wij mochten niet ‘plat’ praten thuis. Tegelijkertijd groeide ik op met Maleise woorden en klanken in mijn moeders familie en Achterhoekse woorden en tongval in de familie van mijn vader. Dat bleek een belangrijke levensles, namelijk dat ‘anders’ de moeite van het luisteren waard is. En dat geldt niet alleen voor taal.”
10) Dit komt op mijn steen:
“Geen steen. Ik stel mijn lichaam ter beschikking aan de wetenschap. Als de wetenschap mij nog wil.”