't Verhaal van willem: Reizen

Ik ben gek op reisverhalen. Een dikke honderd jaar geleden reisde Ds Craandijk door ons land en schreef er z'n bekende boeken over. Hij komt ook 'in den Gelderschen achterhoek'. Ja, hij schrijft Achterhoek nog zonder hoofdletter. Wat dat betreft zijn we dus vooruitgegaan. Hij gaat nog met een 'omnibus' vanaf Doesburg de Achterhoek in. Ofschoon de diligence al boordevol is staan er toch nog reizigers te wachten. Maar geen nood. Twee kruipen er bij op de bok, twee gaan zitten op de rand van de kap, één kruipt er tussen de koffers, een ander gaat boven op een mand zitten. En de laatste kruipt helemaal boven op het zeil: "Waar hij troont hoog in de lucht, als op een zegekar in een allegorische optocht."

Tenslotte kruipt de conducteur er nog bij, die altijd wel ergens terecht kan. "Het is nog een manier van reizen waarvan men aan de overkant van den IJssel niet meer weet". Onder aan de bladzijde merkt hij spijtig op dat het nu helaas ook in de achterhoek allemaal met een stoomtram gaat: "gemakkelijk maar zonder poezie". Hij komt natuurlijk langs de Gouden Leeuw en langs 'de gebouwen der ijzersmelterij en gieterij. er wier behoeve de geweldige vrachtwagens, met hun breede wielen en hun sterke paarden die we meer dan eens voorbij kwamen de grondstof aanvoerden'.

Hij neemt de gelegenheid waar om er een bezoek te brengen want ijzersmelterijen zijn heel zeldzaam in Nederland. Alleen in Ulft en Terborg zijn er ook nog wat, beweerde hij. Hij gaat de geheimzinnige werkplaats binnen. Hij verwachtte niet dat ze er als een villa uit zal zien, maar fantastisch is het tafereel in de hoge, zwarte, wild verlichte ruimten, "waar donkere, woeste gestalten met vloeiend vuur heen en weer snellen en zich als boze geesten midden in de vlammen bewegen."

Daar spatten vonken, wijd en zijd. Daar zwoegt men, zweet en stookt altijd, En laat altijd de balgen blazen, Als moest men berg en rots verglazen.

Een waterrad drijft de boel aan en de grondstoffen-het oer der heiden- zoals hij het noemt, komt in hoofdzaak van Raalte en Wijhe. Dan kan ik me voorstellen dat ze 'geweldige wagens' nodig hebben om de grondstof aan te voeren. Zij hebben er meer dan 120 man aan het werk en het bedrijf draagt dus belangrijk bij aan de welvaart van de streek. Maar ook de ontginning van de woeste gronden hebben er baat bij, de harde oergrond die zo menig heideveld onvruchtbaar maakt, wordt weggehaald en daardoor wint landbouw en houtteelt aanmerkelijk en ook in dit geval 'is de sombere, dampende fabriek niet geheel een wanklank in het liefelijke landschap'.

In Doetinchem, waar hij al eerder is geweest mist hij de Ham­burgerpoort. Hij beschrijft de tekenachtige poortruïne met de beide achtkantige torens, die lang gespaard waren, al behoefden zij geen vijandige aanval af te weren maar, daar waren ze dan ook allang niet meer toe in staat.

Het is steeds weer interessant te lezen met hoeveel elan onze vroegere reizigers het landschap, de steden en de mensen beschreven. Wat zijn wij dan arme sloebers, we moeten het doen met 'n 'Van gewest tot gewest' programma dat niet te lang moet duren anders verveelt ons het kijken.

We kunnen niet meer het geduld opbrengen om het langer vol te houden. Laat staan een ijzergieterij bezoeken per diligence en er dan een verhaal over te schrijven van meer dan drie bladzijden. Ja, met de pen, bij schamele verlichting. Zijn we nou vooruit of achteruit gegaan?