Columns

Uut 't Wald | Spinnekop

Spinnekop

In Zwaleman, mijn andere wekelijkse column in deze krant, liet ik twee weken geleden een foto van een prachtige, oranje spin zien. Met de vraag of iemand wist welk soort dit was. Daarop kreeg ik zegge en schrijve één reactie. Van mijn mede-columnist (en natuurkenner) Bernhard Harfsterkamp uit Winterswijk. Maar die kon me ook niet meer vertellen, dan dat het om een kruisspin zou gaan.
Dat er verder geen reacties waren hoeft eigenlijk niet te verbazen. Achterhoekers hebben blijkbaar niet zoveel met spinnen. Hoewel in ons land maar liefst zeshonderd spinnensoorten bestaan, is aan deze diertjes slechts één pagina gewijd in het WALD, het Woordenboek van de Achterhoekse en Liemers Dialecten.
Ook in het Achterhoeks kan de Araneidae gewoon spin of spinne heten. Maar de meest gangbare benaming is spinnekop. En het Achterhoeks kent slechts een paar 'ondersoorten'. Meest voorkomend zijn natuurlijk de heujwagen (of häöjwage) en de kruusspinne(kop). Die heel iele spinnetjes die je in huis soms ziet (volgens mij zijn dat jonkies) heetten glasspinneköppe en zo'n hele dikke zwarte wordt wel aatsvader genoemd. Tenslotte heb je nog de waterspin (of duikerspin). Die heet in grote delen van de Achterhoek schaatsenri-jer.
Aan spinnen was vroeger nogal wat bijgeloof verbonden. Als een spin uit zijn web wegging, maar ook als er plotseling veel spinnen waren, zou het gaan regenen. Maar als er spinnedraden over de weg hingen, was dat een voorteken van mooi weer. Tenslotte kon bij een verwonding een spinneweb goed van pas komen. Spinnedraden zouden namelijk een bloedstelpende werking hebben, wisten onze voorouders.

Meer berichten